Posts tonen met het label AV&Entertainment Magazine. Alle posts tonen
Posts tonen met het label AV&Entertainment Magazine. Alle posts tonen

donderdag 2 juli 2026

Tien jaar Wet DBA: soap zonder einde!

 

 

In maart 2016 schreef ik op mijn weblog voor het eerst over de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties. Sindsdien heb ik me vastgebeten in dit dossier met brieven, blogs, Kamerdebatten, ministersgesprekken, webmodules en nieuwe namen voor oude problemen. Het leverde mij uiteindelijk een rol op als bestuurslid in de belangenvereniging voor freelancers in de media (FIM). Dat is mooi vrijwilligerswerk, maar deze functie kost meer energie dan het tot nu toe oplevert. Met dank aan de Wet DBA.

 

Het begon tien jaar geleden met een open brief aan staatssecretaris Wiebes, omdat ik als freelance cameraman zag hoe een slecht doordachte wet mijn bestaan ondermijnde. Die brief werd meer dan honderdduizend keer gelezen en leidde tot gesprekken met Kamerleden en de Belastingdienst. Uiteindelijk werd de wet onder druk van een brede beweging van zzp'ers, opdrachtgevers en politici in de ijskast gezet. Ik had mijn kleine steentje bijgedragen.

De kern van het probleem was simpel: de Wet DBA was gebouwd op een arbeidsrechtelijk fundament uit 1907. Het begrip 'gezagsverhouding' bepaalde of iemand werknemer of zelfstandige was, maar in een projectmatige sector als de mediawereld gaat die vlieger niet op. Als een opdrachtgever bepaalt hoe laat ik op de set moet zijn, zou je kunnen stellen dat er volgens de wet sprake is van gezag en dat ik in theorie een schijnzelfstandige ben. Terwijl ik vijftien verschillende opdrachtgevers per jaar heb, mijn eigen AOV betaal en heel bewust heb gekozen voor het ondernemerschap.

Het handhavingsmoratorium werd jaar na jaar verlengd. Ministers erkenden dat het een 'zorgenkindje' was, maar ontweken de fundamentele vraag: Wat is een echte zzp'er? Een webmodule die moest helpen gaf in de helft van de gevallen geen uitsluitsel. In 2023 presenteerde minister Van Gennip de Wet VBAR. 'Gezagsverhouding' heette nu 'inbedding', maar het kwam op hetzelfde neer. Zeven jaar verder en geen stap opgeschoten.

Sinds 1 januari 2025 handhaaft de Belastingdienst weer op schijnzelfstandigheid. Je ziet dat hierdoor contracten complexer worden, omdat opdrachtgevers zich tegen elk risico indekken. Daarnaast worden er nieuwe juridische maatregelen bedacht die veel tijd en energie kosten. De enigen die hier beter van worden zijn juristen en fiscalisten. Ondertussen zitten wij vast in juridisch en politiek drijfzand. We blijven oeverloos discussiëren, omdat de wet niet helder is. Alleen een campagne met de boodschap 'Zo kan zzp wél!' lost de onduidelijkheid natuurlijk niet op.

Minister Aartsen belooft nu dat zijn ‘Zelfstandigenwet’ er komt, maar dat duurt nog minstens anderhalf à twee jaar. Ik vrees dat het zelfs langer zal duren, want ook over de plannen voor die zelfstandigenwet zijn de deskundigen niet eensgezind. Dat komt vooral omdat er geen heldere definitie is van wat een zzp’er is of zou moeten zijn. Laten we beginnen met het definiëren van duidelijke categorieën van zelfstandig ondernemers, met de nadruk op ondernemerschap en professionaliteit. Laten we dan ook gelijk stoppen met de besmette term ‘zzp’, want dat gaat er over wat iemand niet heeft (zelfstandige zonder personeel), terwijl je juist zou moeten benoemen wat iemand wél is: zelfstandig professional (zp).

 

Ondertussen blijf ik herhalen wat ik al tien jaar roep: Kijk niet naar de opdracht of de opdrachtgever, maar naar het ondernemerschap van de opdrachtnemer. Als iemand zelfstandig wil zijn, een redelijk uurtarief kan vragen, werkt voor meerdere opdrachtgevers, iets geregeld heeft voor onverhoopte arbeidsongeschiktheid, aan pensioenopbouw doet en netjes belasting betaalt, dan is die persoon een zelfstandig ondernemer. Volgens mij kan de Belastingdienst dit eenvoudig controleren met een digitale ondernemerscheck. Laat iemand die zonder problemen door zo’n test komt lekker zijn of haar gang gaan. Na al die jaren discussiëren hoop ik nog steeds vurig dat we uiteindelijk uitkomen bij iets wat verdacht veel lijkt op een VAR 2.0. 


Deze column schreef ik voor het vakblad AV&Entertainment Magazine. Het hele julinummer vind je HIER!




donderdag 7 mei 2026

lekker filmisch

 

 

De presentator van het nieuwsprogramma kondigde aan dat er een verslaggever ter plaatse was. Vervolgens kwam de correspondent in beeld en die vertelde trots dat ze was aangekomen in het rampgebied. De achtergrond van deze stand-up was echter zo wazig dat zij ons alles had kunnen wijsmaken. Ze kon net zo goed voor de Eiffeltoren staan of op het Mediapark. Haar camera-operator was kennelijk zo blij met de betaalbare full-frame camera, autofocus en lichtsterke (foto)lens, dat deze in alle enthousiasme een beetje was doorgeschoten.

Als kijker stoor ik me steeds vaker aan wat ik niet zie. Natuurlijk moet het onderwerp scherper zijn dan de achtergrond, maar je wil wel zien wáár een verslaggever is. Dat is juist het hele punt van een verslaggever op locatie. Zeker bij nieuws-, actualiteiten- of sportprogramma’s. Inhoud gaat voor de vorm. 

Het is in de mode om voor televisie op te nemen met een flinterdunne scherptediepte. De verklaring hiervoor is simpel: Omdat het kan. Camera’s zijn lichtgevoeliger geworden, sensoren groter en lenzen lichtsterker. Wat ooit was voorbehouden aan filmsets is nu beschikbaar voor iedereen. Het is zelfs goedkoper in aanschaf dan ‘echte’ televisiecamera’s met broadcastlenzen. 

De vraag is niet of het kan, maar of het ook echt iets toevoegt. 


Een minimale scherptediepte is geen neutrale esthetische keuze. Het is het weggooien van informatie. In fictie kan dat een krachtig middel zijn. Daar bepaalt de regisseur waar je naar kijkt, wat je voelt en wat je niet hoeft te weten. Bij nieuws, sport, concertregistraties en entertainment, wil je eigenlijk niet isoleren, maar juist laten zien wat er gebeurt. De context is geen bijzaak.

Los van het feit dat je meer van de omgeving wil zien is het voor de camera-operator ook nog eens lastig. Foto- en filmlenzen zijn niet gemaakt voor het snelle televisiewerk. Soms is het echt zwoegen om ervoor te zorgen dat er überhaupt nog iets scherp is in het kader. De compositie net even mooier maken door een fractie verder in of uit te zoomen lukt vaak niet.

Wat op een filmset gecontroleerd en herhaalbaar is, wordt in een studio, op het concertpodium, in een rampgebied of langs een sportveld al snel een risico. Bij een televisieproductie is er vaak geen tweede kans of tijd om het nog eens te doen. Dan is onscherpte geen stijl meer, maar een mislukking.

Laten we stoppen met het argument dat iets pas filmisch is als het met een kleinere scherptediepte is opgenomen. Dat is onzin. Grote filmmakers draaien ook niet áltijd alles met een open diafragma. In de filmgeschiedenis wordt juist veel gebruik gemaakt van diepte scherpte om ruimte, relaties en mise-en-scène zichtbaar te houden. Cinematografie is geen diafragma-instelling, maar het vermogen om per shot de juiste keuze te maken.

Precies daar wringt het in de huidige televisietrend. Ergens is het idee ontstaan dat een televisiemaker pas geslaagd is als zijn of haar programma’s ‘filmisch’ ogen. Alsof televisie zich schaamt voor zichzelf. Keuzes lijken niet langer inhoudelijk gemotiveerd, maar technologisch gedreven. 

Dit betekent helemaal niet dat er iets mis is met cine-lenzen of grotere sensoren. Integendeel. Het zijn prachtige gereedschappen, mits bewust ingezet. Hetzelfde geldt voor de klassieke broadcastlens, die tegenwoordig te makkelijk wordt weggezet als minder mooi, terwijl je daarmee precies kan doen waar televisie voor bedoeld is: flexibel, betrouwbaar en informatief beeld leveren. Overzicht waar nodig, detail waar gewenst. 

De kracht van een goede tv-productie is juist directheid, helderheid en toegankelijkheid. Een studiogesprek met meerdere gasten vraagt om speelruimte, niet om millimeterwerk in de focus. Een sportregistratie vereist overzicht en een live-uitzending zekerheid. Wie kiest voor een minimale scherptediepte, die kiest niet alleen voor een stijl, maar ook voor complexiteit, foutgevoeligheid en het verlies van controle.


De vraag is dan ook niet welke camera’s of lenzen het goed doen op je CV, maar wat er in de praktijk nodig is. Draaien met een piepkleine scherptediepte, moeten we bewaren voor programma’s die echt om een filmische benadering vragen. Wat mij betreft blijft er een duidelijk verschil bestaan tussen de échte wereld en de dramatische variant die we voor film of tv creëren. Scherptediepte is geen trucje, maar een keuze. Laten we die keuze weer wat vaker inhoudelijk maken. Dat is ook professionaliteit en zeker geen gebrek aan ambitie.

Tot zover Uw verslaggever in het rampgebied. Terug naar de studio.





vrijdag 6 maart 2026

showlicht en televisiecamera's

 

De aanwezigheid van camera’s bij theaterproducties, concerten, presentaties of evenementen is voor belichters vaak een uitdaging. Zeker als een show of voorstelling al een tijd draait en dan opeens wordt geregistreerd voor televisie, livestream of om hem vast te leggen voor het nageslacht. De meeste voorstellingen worden namelijk belicht voor het publiek in de zaal, maar de sensoren van tv-camera’s hebben een veel kleiner dynamisch bereik dan het menselijk oog. Bij dramatisch theaterlicht zal het brein van de kijker het beeld aanvullen, maar een camera kan grote verschillen tussen licht en donker niet goed verwerken. Hoewel de sensoren steeds beter worden, komen foto- en filmcamera’s ook in de problemen bij bepaalde kleuren LED-licht, zoals felrood en diepblauw. Als een voorstelling erg donker is wordt het bovendien erg lastig voor cameramensen om scherp te stellen. Dus als je een mooie registratie van een show wil maken, dan moeten de mensen van het licht wel meewerken.

Natuurlijk is het lastig en soms frustrerend als je een mooie productie hebt gemaakt, die al honderd keer is opgevoerd en dat er opeens allerlei aanpassingen of concessies gedaan moeten worden, omdat er televisiecamera’s in de zaal staan. Wij van de televisie zijn ook niet altijd subtiel. We komen binnenvallen met camera’s, beperkte tijd en roepen dat er thuis veel meer mensen gaan meekijken dan in de zaal. Vervolgens verwachten we dat de voorstelling gelijk wordt aangepast. 

Theatermensen of technici bij poppodia bekommeren zich doorgaans vooral over de beleving van het publiek in de zaal. Dat is hun vak. Ook veel artiesten zijn bang dat de sfeer in de zaal bij opname minder zal zijn wanneer het publiek in de zaal een voorstelling krijgt voorgeschoteld met meer of ander licht. Niet zelden wordt het een politiek spel tussen de mensen die bij de voorstelling horen en de beeldtechnici in de regiewagen. Die krijgen weer lastige vragen over het licht van cameramensen en de regisseur. De compromissen die daaruit voortkomen leiden regelmatig tot ongelukkig kijkende gezichten aan beide kanten. Het helpt zeker niet als er aan beide kanten ook nog eens sprake is van enig onbegrip, onwil of onkunde.

Het is niet eenvoudig om een uitgekiend lichtplan voor één opnamedag aan te passen. Budgettair wordt er vaak geen rekening mee gehouden dat er soms extra lampen nodig zijn en dat het maken van aanpassingen aan het licht lang kan duren. De tijd van een dag plaatjes kijken en een dag opnemen is voorbij. Het moet allemaal snel gebeuren, maar de meeste shows zijn tot op de seconde geprogrammeerd. Dat gooi je niet ‘even’ overhoop tijdens een vluchtige camerarepetitie. Daarnaast willen ze in de regiewagen meestal ook grote totaalshots maken, maar dan komen soms delen van de zaal in beeld waar helemaal geen licht hangt. Een beetje licht op het publiek leidt ook vaak tot discussies.

 

Licht ontwerpen voor televisie vereist een heel andere manier van denken en werken. Er zijn een hele hoop factoren waar je rekening mee moet houden als er camera’s in de zaal staan. Toch denk ik dat anno 2026 in ieder lichtplan al rekening gehouden moet worden met de aanwezigheid van camera’s. Zeker bij concerten en grote evenementen. Zelfs als er geen professionele camera’s in de zaal staan heb je te maken met mensen die met hun telefoon filmpjes en kiekjes van het optreden maken. Die worden gedeeld op de socials en zijn (of je het wil of niet) ook een visitekaartje voor de show. Artiesten zien dat ook en als hun gezicht dan altijd overbelicht is, groen, blauw, paars of knalrood, dan gaan zij uiteindelijk twijfelen aan de kwaliteiten van de lichtmensen. Hoe artistiek verantwoord hun werk ook kan zijn. 

Goed lichtontwerp is geen keuze meer tussen zaal óf camera. Lichtontwerpers en producties ontkomen er niet meer aan en zullen in sommige gevallen echt anders moeten gaan denken. Volgens mij moet daar bij opleidingen voor lichttechnici veel meer aandacht aan worden besteed. Het is ook niet gek om vaker gebruik te maken van de specifieke kennis die ervaren tv-belichters al in huis hebben. 




 

vrijdag 9 januari 2026

Aanbestedingen

 

Tegenwoordig worden steeds meer projecten in de AV-sector op officiële wijze aanbesteed. Zo heeft de NPO dit jaar, na een veelomvattende selectieprocedure, een stuk of twaalf facilitaire bedrijven aangewezen die de komende jaren offertes mogen uitbrengen. Het doel van zo’n aanbesteding is om transparant en objectief de beste aanbieder te kiezen voor elk project. Offertes van verschillende partijen worden vergeleken op basis van vooraf vastgestelde criteria, zoals prijs, kwaliteit, planning, maar bijvoorbeeld ook duurzaamheid. Een ‘tender’ moet het maken van illegale prijsafspraken voorkomen. Het achterliggende idee is een garantie voor gelijke kansen en een eerlijke concurrentie.

Dat klinkt goed en er valt zeker iets voor dit systeem te zeggen, maar toch hoor ik mijn opdrachtgevers regelmatig mopperen over het feit dat ze tegenwoordig aan allerlei gekke voorwaarden moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een opdracht. ‘We moeten telkens weer door een hoepeltje springen’, hoorde ik iemand zeggen. 

Het meedoen aan zo’n tender betekent dat bedrijven eerst moeten investeren in omvangrijke presentaties om überhaupt mee te kunnen doen. Vervolgens moeten de partijen die door de ballotage zijn gekomen voor iedere aanvraag opnieuw een uitvoerig werkstuk aanleveren. Uitgebreide beschrijvingen zijn vereist om een relatief overzichtelijke opdracht in de wacht te slepen. Dit kost veel tijd en energie aan de kant van de opdrachtgever, maar vooral ook bij alle opdrachtnemers. Meestal levert dat helemaal niks op. Zo wordt bijvoorbeeld voor elk project in de offertefase een complete planning opgevraagd. Facilitaire bedrijven moeten al in een vroeg stadium het hele team samenstellen, terwijl ze nog niet eens zeker weten of ze de opdracht daadwerkelijk krijgen. 

Zo kan het gebeuren dat een freelance cameraman soms door vier verschillende facilitaire bedrijven wordt benaderd met een optie voor hetzelfde project. Dan zou je denken dat het niet meer uitmaakt aan welk facilitair bedrijf de opdracht wordt gegund, maar ik ben zeker niet de enige cameraman die al meerdere keren een hele periode heeft vrijgehouden en dat er uiteindelijk toch nog een vijfde firma er met het project vandoor ging. Dit kost freelancers dus geld, omdat zij in zo’n geval andere opdrachten afhouden. Het wordt ook een enorme chaos in de agenda als er in een drukke periode om tientallen opties wordt gevraagd. 

De laagste prijs geeft meestal de doorslag. Dat lijkt logisch, maar bij het uitvragen van offertes is meestal nog niet precies bekend wat er daadwerkelijk nodig is om een productie goed in beeld te brengen. Zo kan een facilitair bedrijf soms in de offertefase enorm stunten met prijzen, in de wetenschap dat er later nog van alles bij komt, waar ze vervolgens de hoofdprijs voor vragen. Het is een spel geworden.

Maar wat ik persoonlijk vooral vervelend vindt aan het systeem van aanbesteden is dat het nauwelijks nog telt of je op de werkvloer een goede relatie hebt opgebouwd met de opdrachtgever, als inkopers in kantoorgebouwen vooral kijken naar een papieren werkelijkheid. Resultaten behaald in het verleden bieden nauwelijks nog garanties voor de toekomst. Specifieke kennis met betrekking tot een bepaald project en ervaring zijn steeds vaker van ondergeschikt belang. Dat is zonde. Ik heb het al zo vaak meegemaakt dat een klant na afloop van een project super enthousiast was, omdat wij erg ons best hadden gedaan, maar dat we een volgende keer keihard te horen kregen dat een andere partij op papier een beter verhaal had. Zo krijg je de indruk dat het weinig zin heeft om een stapje harder te lopen of om iets extra’s uit de materiaalwagen te trekken waar het eindresultaat beter van wordt of om een klant te helpen. 

In mijn ogen komen aanbestedingen de creativiteit, het onderling vertrouwen en de continuïteit niet ten goede. Natuurlijk mag een opdrachtgever wisselen van leverancier als ze niet tevreden zijn, maar nu krijg ik vooral de indruk dat het alleen nog draait om het dubbeltje en de eerste rang. Dat is niet gezond voor onze industrie. Aanbestedingen leiden niet tot betere eindresultaten en onder de streep zal het ook niet veel goedkoper zijn. Ik geloof toch echt meer in geven en nemen. Lang leve de loyaliteit en samenwerking!



Deze column schreef ik voor het vakblad AV&Entertainment Magazine en is gepubliceerd in het januarinummer van 2026.




 


 

woensdag 5 november 2025

Omroepland verliest haar aantrekkingskracht


Onderstaande column schreef ik voor het novembernummer van AV&Entertainment Magazine:


Decennialang stonden jongens en meisjes in de rij voor een baantje bij de televisie, maar anno 2025 is het voor veel bedrijven in onze industrie niet meer zo eenvoudig om gemotiveerde jonge medewerkers te vinden en voor langere tijd aan zich te binden. Natuurlijk zijn er nog enthousiaste jongeren die dromen van carrière als camerapersoon, geluidtechnicus, belichter, editor of beeldtechnicus maar die melden zich lang niet meer allemaal bij facilitaire bedrijven. Van verschillende opdrachtgevers hoor ik dat het aantal reacties op vacatures nog nooit zo laag is geweest. In sommige gevallen reageert er zelfs helemaal niemand.

De huidige generatie voelt er steeds minder voor om onderaan de ladder te beginnen. Na een mbo of hbo-opleiding willen jongeren liever niet starten als operationeel assistent, uitgifte medewerker of junior. Zeker niet als werkgevers verwachten dat ze eerst een paar jaar ‘ervaring’ moeten opdoen, tegen een laag loon, voordat ze langzaam mogen doorstromen naar de functie die ze ambiëren. Geduld is niet altijd de beste kwaliteit van jonge mensen.

Ook in mijn vakgebied kom ik beginners tegen die wel cameraman willen zijn, maar die het niet willen wórden. Moeite doen om het vak onder de knie te krijgen vinden zij lastig. Het liefst gaan zij gelijk aan de slag met een Steadicam, gimball of een crane, in plaats van eerst eindeloos oefenen met het maken van een simpel mediumshot, een zoompje, of focus. Belichting of compositie kan je toch in de montage oplossen!

De onregelmatigheid van een leven in de televisiewereld vinden twintigers over het algemeen ook ingewikkeld. Ik hoor verhalen over sollicitanten die niet in het weekend willen werken of in de avonduren. Zij vinden de werkdruk hoog en de beloning die daar tegenover staat veel te laag. Het schijnt dat je soms als vakkenvuller bij Albert Heijn meer kan verdienen.

Daarnaast is onze business niet meer zo sexy is als in het verleden. Jongeren kijken zelf nog maar weinig naar lineaire televisie. De magie is er af. Creatief gezien is het in hun ogen een logge en trage wereld. Zeker als je het vergelijkt met TikTok of YouTube. Daar heb je geen redacties, zenderbazen of strakke formats waaraan vastgehouden moet worden. Creatieve makers kunnen zelf binnen een dag via de social media een groot publiek bereiken. Daar hebben ze omroepen of facilitaire bedrijven helemaal niet meer voor nodig. 

 

De televisie spreekt misschien minder tot de verbeelding, maar niet voor mij. Zelfs na dertig jaar ben ik nog steeds verliefd op camerawerk en de omgeving waarin ik dit vak mag uitoefenen. Het is afwisselend, technisch, creatief en sociaal tegelijk. Je komt overal en mag altijd vooraan staan. Iedere dag is een avontuur met nog steeds nieuwe uitdagingen. Daar wil ik de komende jaren graag van genieten, maar ik was een tijd lang bang voor het moment waarop mijn opdrachtgevers een vers blik met nieuwe, goedkope cameramensen zou opentrekken. Ik vreesde dat ik op een dag links en rechts zou worden ingehaald door jonge honden, die fysiek sterker, sneller en veel moderner zouden zijn dan ik, maar ze zijn er niet of nauwelijks. Dat zorgt ervoor dat er op dit moment nog genoeg vraag is naar ervaren freelancers zoals ik. Alleen is dit voor onze sector wel iets om over na te denken.

De jeugd kiest niet tégen omroepen, producenten en facilitaire bedrijven, maar steeds vaker vóór zichzelf. In tijden van krapte op de arbeidsmarkt kunnen zij die keuze maken. Opdrachtgevers in Hilversum zullen zich moeten realiseren dat de oude mentaliteit van ‘voor jou tien anderen’ voorbij is. Wie denkt dat veel goedkope jonge krachten nog steeds de oplossing zijn voor krimpende budgetten, die vergist zich. 




woensdag 3 september 2025

AOV

 

Het snoer van een filmlamp was beschadigd. De freelance cameraman die de spot snel wilde verplaatsen kreeg een enorme schok en zijn handen verkrampten. Door deze opdonder verloor hij het bewustzijn en zijn evenwicht. Dat was zijn geluk, want in de val trok hij de stekker uit het stopcontact. De pech was dat hij buitengewoon ongelukkig op een schouder en zijn hoofd terecht kwam. 

Sinds dit moment kan de cameraman in kwestie niet meer werken. Het is inmiddels meer dan vijf jaar geleden. De ZZP’er was toen het gebeurde nog geen vijftig jaar en had dus nog ongeveer 18 jaar te gaan tot zijn pensioengerechtigde leeftijd. Ondertussen heeft hij er alles aan gedaan om weer op de een of andere manier aan het werk te komen, maar dit stomme voorval heeft niet alleen zijn schouder onherstelbaar beschadigd. Wat hij ook probeert, het wil (nog) niet lukken. 

Het leven van een grote sterke kerel is in slechts een paar lullige seconden totaal veranderd. De impact van zo’n ongeluk is gigantisch en niet alleen voor hem, maar ook voor de mensen om hem heen. Hij is in een medische mallemolen terechtgekomen en in een langdurige letselschadezaak waar je heel verdrietig van wordt. Gelukkig was hij verzekerd voor onverhoopte arbeidsongeschiktheid en krijgt hij elke maand geld. Dus kan hij zijn dagelijkse boodschappen blijven doen en hoeft hij zijn huis niet te verkopen. 

Een goede arbeidsongeschiktheidsverzekering is peperduur, maar een ZZP’er die hier niet over nadenkt is onverstandig en rekent zichzelf rijk. Van nature zijn we misschien geneigd om te denken: ‘Dat overkomt mij niet’, maar een auto verzeker je ook, ondanks het feit dat we allemaal denken dat we goed kunnen sturen. Hoe jonger je bent, hoe groter de statistische kans is dat jij op een dag arbeidsongeschikt raakt door ziekte of een ongeluk en hoe meer jaren je dan eventueel nog moet overbruggen. Het laatste wat je in zo’n geval wil is dan ook nog eens in de armoede terecht komen en totaal afhankelijk worden van een partner, familie of vrienden om je heen.

Een AOV heb je niet voor een griepje of een gebroken arm, maar voor het geval je serieus lang of misschien wel definitief uit de roulatie bent. In zulke gevallen is een broodfonds alleen niet afdoende, want na twee jaar stoppen die betalingen.

Dus is een arbeidsongeschiktheidsverzekering zeker geen overbodige luxe, maar het is een wezenlijk onderdeel van zelfstandig ondernemerschap. Het laat zien dat je als ZZP’er je verantwoordelijkheid neemt. In het kader van de Wet DBA is dit een zeer krachtig bewijs dat je een échte zelfstandige bent. Hiermee laat je immers zien dat jij heel bewust gekozen hebt voor een bestaan als freelancer en dat je hebt nagedacht over de risico’s die hierbij horen. Bovendien is het deels aftrekbaar van de belastingen en een goed argument waarom je als freelancer een serieus tarief moet rekenen.

 

In een paar tellen kan alles anders zijn. Een klein moment van onoplettendheid en je hoeft niet zelf de veroorzaker te zijn. Neem die zeer gewaardeerde collega die heel even aan de stroom bleef hangen en voor wie het leven in een split-second definitief veranderde. Wellicht ken je zelf ook het verhaal van iemand die ziek werd of een ongeluk kreeg. Een AOV moet je als ZZP’er gewoon doen!



Deze column schreef ik voor AV&Entertainment Magazine.