zaterdag 26 november 2022

De Wereld van Boudewijn Büch

 

De afgelopen week was het twintig jaar geleden dat Boudewijn Büch op 54-jarige leeftijd is overleden. De bekende, enthousiaste en niet onomstreden mediapersoonlijkheid stierf in zijn slaap op 23 november 2002, aan een hartstilstand. Als schrijver was hij vooral bekend van het boek De kleine blonde dood uit 1985, waarvan sindsdien meer dan dertig drukken zijn verschenen. Hele volksstammen hebben dit boek gelezen voor hun literatuurlijst. Als televisiepresentator maakte hij het reisprogramma De Wereld van Boudewijn Büch, waarin hij zijn interesses voor eilanden, de dodo, Mick Jagger, Andy Warhol en bovenal Goethe aan bod kon laten komen. Zijn fascinatie voor historie en cultuur was aanstekelijk. 

In 1998 mocht ik met Boudewijn Büch mee op reis als camera operator. Het is nog steeds een van de meest memorabele producties waar ik aan mee heb mogen werken. Met veel plezier kijk ik terug op deze periode, waarin ik in korte tijd ontzettend veel geleerd heb. Over cultuur, verzamelen, reizen en de wereld, maar ook over mijn vak en televisiemaken in het algemeen. 

Maar Boudewijn was geen makkelijke tante. Ook daarover heb ik op dit weblog meerdere verhalen geschreven. Op zijn sterfdag zat ik die stukken een beetje terug te lezen toen ik ook mijn blog van 9 januari 2014 tegenkwam. Het gaat over het einde van onze samenwerking. Ik vond het wel een toepasselijk verhaal nu we het al een week hebben over omgangsvormen in Omroepland. Vandaar dat ik het hier nog eens plaats:

 

 

 

'... en dat is het laatste filmwerk van deze lange zomer, die aangenaam was - zeker door Panda maar ook door Peter en Jan Rein - maar wel iets te vermoeiend en te lang. Ik heb veel aan depressies geleden.'

[Boudewijn Büch - Een boekenkast op reis. Privé-domein. Persoonlijke kroniek 1998. Pagina 256, 26 september]

 

Aan het eind van een jaar reizen met Boudewijn Büch kreeg ik totaal onverwacht te horen dat de schrijver/programmamaker niet langer met mij wilde werken. Dat vond ik heel erg. We hadden samen vier lange reizen gemaakt, een bedrijfsfilm voor de VNG en een commercial voor Lassie Toverrijst gedraaid. Alles bij elkaar ongeveer 100 dagen in zes maanden en toen was ik opeens niet meer goed genoeg. Zelf wilde Boudewijn dat niet tegen mij zeggen. Hij liet het over aan de accountmanager van het facilitair bedrijf en aan zijn vaste producer Erica, die mij bovendien verbood om hierover contact met Boudewijn op te nemen. 

Het verhaal was dat ik slecht gedraaid had en daar kwamen ze kennelijk pas achter in de montage. Wat er precies mis was met mijn beelden konden ze me niet uitleggen. Van alles. Ik mocht hierover ook niet spreken met de vaste editor van De Wereld van Boudewijn Büch, want ze dachten dat dit de montage niet ten goede zou komen. 

Ik was hevig teleurgesteld en werd hier heel onzeker van. Temeer omdat andere mensen bij de VARA opeens ook openlijk twijfelden aan mijn kwaliteiten. Na enig aandringen kwam er een bandje met daarop tien voorbeelden van missers. Het werd besproken met de accountmanager, die het vervolgens aan mij mocht uitleggen. Het waren tien fragmenten die ik vrijwel direct kon weerleggen of waarvan ik zeker wist dat er ook nog een andere take was. 

Een van de voorbeelden was een scene voor een gebouw. Boudewijn legde uit dat Goethe achter een raam op de eerste verdieping had gesproken met een goede vriend. De camera ging omhoog, maar met een boogje naar dat raam. Dat was kennelijk niet goed; ik een knoeier. Maar recht boven de verteller had de microfoonhengel gehangen en daar had ik keurig omheen gedraaid. Boudewijn wilde nooit iets over doen, vanwege de spontaniteit. 

Na het zien van deze voorbeelden was ik enigszins gerust gesteld. Ik had immers zelf elke avond op mijn hotelkamer álle opnamen teruggekeken. Nu wist ik dat ik niet gek was. Als dit de ergste voorbeelden waren die ze konden tonen, dan viel het best mee. Wat heel erg stak was het feit dat de accountmanager inmiddels een fikse korting had gegeven. Daarmee had het NOB min of meer toegegeven dat ik een wanprestatie had geleverd, terwijl ik het daar niet mee eens was. 

Er moest iets anders aan de hand zijn. 

En er was natuurlijk ook meer aan de hand. Ik was tijdens onze laatste trip verliefd geworden op het meisje van productie waar Boudewijn ook verliefd op was. Dat had ik verzwegen, maar ik had het misschien niet goed genoeg verborgen gehouden. Ook had ik langzaam in de gaten gekregen dat Boudewijn lang niet altijd het eerlijke verhaal vertelde. Zo wist ik dat hij nooit het kind had gehad, waar hij wel met tranen in zijn ogen over sprak. Maar wat bijvoorbeeld ook op begon te vallen was dat hij erbarmelijk slecht Duits sprak, terwijl hij beweerde in Duitsland Duits gestudeerd te hebben. Een kop koffie bestellen was al een probleem. 

Hij wilde van mij af, dat was duidelijk. Maar ik wist niet precies waarom. Dat vrat aan me. Het irriteerde vooral dat ik me niet kon verweren. 

Waren we misschien uitgeluld? Hij had mij onderweg uitgehoord en kende inmiddels al mijn verhalen. En hij had tijdens het filmen van de Lassie Toverrijst commercial Roel Deen leren kennen. Deze ervaren cameraman had ik erbij gehaald, omdat ik zelf weinig ervaring had met de wilde reclamewereld. De volgende reis ging Boudewijn met Roel op pad.

Als hij even kort met mij had gesproken en eerlijk was geweest dan was het voor mij nooit zo'n groot ding geworden. Nu ik was aangevallen op mijn kwaliteiten als cameraman deed het pijn. Ik was pas een paar jaar bezig, nog niet super ervaren en al helemaal niet zeker van mijn zaak. Van deze vreemde afwijzing heb ik lang last gehad.

Boudewijn heb ik nog twee keer gezien. Een keer rende hij mij voorbij in de kantine van het NOB en de keer daarna waren we op de begrafenis van collega Roel Deen. Dat was niet bepaald een moment om elkaar te spreken. Bovendien keek Boudewijn liever naar de grond dan dat hij mij aan moest kijken.

Een paar jaar later was hij dood.

Op de avond waarop ik hoorde dat Boudewijn was overleden heb ik me voorgenomen dat ik voortaan direct contact opneem met de persoon in kwestie, wanneer ik hoor dat iemand niet tevreden is over mijn werk. Of diegene dat nou prettig vindt of niet. 

Je moet elkaar altijd recht in de ogen blijven kijken, open staan voor kritiek, maar ook iemand waarmee je werkt kunnen uitleggen wat je niet bevalt. Dat is een wezenlijk onderdeel van ons vak. Misschien wel van het leven. Wie daar niet mee kan of wil dealen heeft pech gehad. 

Boudewijn was er in elk geval niet goed in. De lul. Als er toch een hemel is kom ik daar zeker nog een keer op terug.

 

'Met Panda en Ulrike ben ik aan de montage begonnen van veertien Goethe-programma's waarvan ik er overigens nog twee moet opnemen. Over het camerawerk ben ik niet zo tevreden, maar gelukkig is er een overvloed aan materiaal.'

[Boudewijn Büch - Een boekenkast op reis. Privé-domein. Persoonlijke kroniek 1998. Pagina 269, 8 december]

 

Columnist Anne Boermans in het Financieel Dagblad van zaterdag 29 mei 1999 over De Wereld van Boudewijn Büch:

 

'De cameraman, Jan Rein Hettinga, levert daarbij een topprestatie. Hij volgt Büch voortreffe­lijk. Hij heeft een camera op zijn schouder die toch al gauw zo'n dertig kilo weegt. Om z'n middel zit een zware riem met accu's voor de stroomvoorziening. Die weegt eveneens vele kilo's. Terwijl hij half naast Büch een trap op moet, ziet hij door zijn camera alleen het hoofd van de presentator, niet de treden. Hij moet dus èn Büch scherp in beeld houden, al dat ge­wicht torsen, èn op gevoel de houten trap oplopen, waarbij hij bovendien geluidloos probeert te zijn, terwijl alles kraakt en steunt onder het geklos van de - forse - presentator.

Cameraman Hettinga slaagt er op deze manier in een compleet interieur op drie verdiepingen te laten beschrijven, in èèn ongemonteerde opname ('one track') van maar liefst vier minuten en vijftien seconden. Dat is vakwerk.

.....

Büch en Hettinga gebruiken een aantal prachtige technieken om het product voor de kijker aantrekkelijk te maken.

.....

Het is èèn van de mooiste series die momenteel op televisie te zien is.'






 

zaterdag 29 oktober 2022

Wie bepaalt, die betaalt... waarschijnlijk.

 

Vroeger was het simpel: Een omroep koos ervoor om een bepaald programma te maken of een evenement uit te zenden en financierde dat. De omroep bepaalde vervolgens hoe het programma er uitzag, wie het mocht maken, welke partij de faciliteiten leverde en waar het werd opgenomen. Alle overige knopen hakten zij ook door. Dat was overzichtelijk voor iedereen. Eindredactie, productie en de regisseur hadden een grote mate van vrijheid. 

Tegenwoordig ligt het iets gecompliceerder en dat komt voor een deel door de manier waarop producties vandaag de dag worden gefinancierd. Nu zijn er bij audiovisuele producties meestal meer partijen betrokken. Het benodigde budget wordt deels bij elkaar gesprokkeld met reclame, sponsoring of bartering, er zijn subsidies, organisaties participeren in allerlei constructies en het is lang niet altijd meer een omroep die een programma maakt. De afgelopen twee jaar hebben, mede door de coronapandemie, heel veel organisaties ontdekt dat het produceren van eigen content interessant kan zijn. Faciliteiten worden steeds betaalbaarder en dus duiken organisatoren van evenementen, artiesten, kunstinstellingen, maar ook bedrijven in de wereld van video. Er ontstaan allerlei nieuwe vormen en coproducties. In de basis is dat voor de AV-branche super interessant, want het levert veel en leuk werk op, maar alle betrokken partijen hebben bij zulke producties ook een zekere mate van zeggenschap. Voor de crew op de vloer is het niet meer altijd helder wie ervoor zorgen dat een bepaalde opname mogelijk wordt gemaakt en dus wie er iets te vertellen heeft.

De tijd waarin een regisseur, onafhankelijk van wie dan ook, kon bepalen waar een camera moest staan of een lamp hoorde te hangen, is voorbij. Over heel veel factoren praten de verschillende belangenbehartigers mee en daar moeten wij soms nog een beetje aan wennen. Zo krijg je te maken met producenten, theaterbazen, kaartverkopers, marketingmedewerkers, organisatoren, sponsors, editors, aftermoviemakers, art-directors, reclameverkopers, artiestenmanagers, creatives, consultants, showregie, eventmanagers en/of de vrouw van de directeur. Mensen met wensen. En vaak hebben zij weer mannetjes en vrouwtjes op de vloer die hun zaakjes verdedigen. 

Een mooi voorbeeld is dat er opeens heel moeilijk gedaan kan worden over de zichtlijnen van vier of zes bezoekers in een stadion, theater of concertzaal, terwijl de consequentie is dat duizenden televisie- of onlinekijkers het minder goed kunnen zien als we daarvoor een camera verplaatsen. En toch moet het. Verschillende belangen. Degene die betaalt heeft niet altijd genoeg kennis van zaken, stelt andere prioriteiten, staat soms niet open voor argumenten of is even onbereikbaar, maar bepaalt toch. 

Vaak omdat er in een voortraject niet over is gesproken. Het komt voor dat onze eigen belangenbehartigers de voorwaarden die horen bij een audiovisuele productie niet op tijd in de groep hebben gegooid of zelfs een beetje hebben verkwanseld. Zoiets gaat sneller en gemakkelijker dan je zou denken en meestal met de beste intenties of in elk geval zonder kwade wil. Er komt ook heel wat bij kijken als je met camera’s in de weer gaat. En als niets vanzelfsprekend is, dan zie je snel iets over het hoofd.

Vroeger sloegen we dan alsnog met de vuist op tafel of we lieten onze regisseur dat doen, maar met alle verschillende belangen is het anno 2022 een politiek spel. Dan moet je wel precies weten tegen wie je iets zegt, aan welke touwtjes je trekt en oppassen dat je niemand passeert. Voor je het weet heb je op lange tenen gestaan en is er de rest van de dag nauwelijks nog speelruimte. Zodra er iemand ‘Weet je wel wie ik ben?’ tegen je zegt, weet je eigenlijk al dat het te laat is. Dan moet je van goede huize komen om nog iets recht te slijmen. 

Maar heel vaak weten cameramensen, geluidsmensen of onze technici inderdaad niet exact hoe de hazen lopen. Wij vliegen voor een dag in en proberen in korte tijd voor onszelf een optimale situatie te creëren. Dat is ons vak. Wij willen graag zo goed mogelijk ons werk doen en dus strijden we elke dag opnieuw voor een paar vierkante meters, voor een kleine verhoging of om een paar mensen op de tribune te verplaatsen. Je wil lekker werken in plaats van een hele avond jezelf in bochten te wringen. Dus vragen we of dat ene lampje net iets kan verschuiven, die microfoon iets naar links of naar rechts mag. Als de belangrijkste spreker twintig centimeter schuift staat hij of zij beter voor de achtergrond. Niet geschoten is altijd mis. Wij zijn doelgericht en praktisch. We denken in oplossingen en mogelijkheden. Zo zijn we geprogrammeerd. 

Het is dus meer dan ooit een kwestie van samenwerken en elkaar helpen. We moeten al die nieuwe partijen leren kennen, soms een beetje opvoeden of ze wegwijs maken in de wereld van video. Het menselijk oog gaat bijvoorbeeld heel anders om met het licht van een voorstelling, show of concert dan een televisiecamera. Als je puur voor grote schermen in de zaal werkt en vooral close shots van de artiesten maakt, dan komt het in de meeste gevallen wel goed met het showlicht op een podium, maar zodra je een registratie maakt, dan wil je ook de hele tent laten zien of tonen hoe het publiek reageert. Daar heb je meer licht voor nodig en dat kost extra geld. Wanneer iemand met weinig of geen verstand van filmen dat bij elkaar moet harken, moet je aan hem of haar tijdig uitleggen waarom het nodig is en hoe belangrijk het verschil is. 

De (theater)lichtman die een show al honderd keer op een bepaalde manier heeft gedaan en misschien het bestaande lichtplan heeft bedacht, die beschouwt dat als zijn kindje en vindt het wellicht lastig om iets te veranderen of toe te voegen. Soms stuit je op vakbroeders die denken dat ze hun winkeltje moeten beschermen en die veel invloed hebben. Daarom zijn de lichtontwerpers, waar wij graag mee werken en die we meenemen naar zo’n theater of organisatie, ook halve diplomaten, die bij menig vredesoverleg van de VN niet zouden misstaan. 

Meestal komt het al snel goed en is iedereen blij, maar zo nu en dan komen we ook terecht in een moeras van eigenwijze ego’s met niet al te veel kennis van zaken. Dan moeten we wel eens op onze lip bijten, frustratie onderdrukken en compromissen sluiten waar ons professionele hart van gaat bloeden. Maar langzaam groeit er iets en worden de audiovisuele bedrijven waarmee we al die mooie projecten doen ook weer handiger in het aangeven van de minimale eisen waaraan een goede opname moet voldoen. Het is en blijft een markt in die zich snel ontwikkelt. 

Voor de duidelijkheid zou ik wel graag een nieuwe regel in het Basisboek Televisiemaken willen laten opnemen: ‘Wie bepaalt, die zal wel betalen.’




vrijdag 14 oktober 2022

regie is meer dan het roepen van kut

 

Met aandacht heb ik geluisterd naar de podcast #MeBudieToo. In het kader van de Dutch Media Week heeft televisieregisseur Jos Budie een aantal van zijn vakbroeders uitgenodigd om te spreken over de manier waarop zij communiceren of communiceerden met hun crew. Alom gewaardeerde grootheden als Martijn Lindenberg, Rudolf Spoor, Rolf Meter, Bob Rooyens, Alex Bordewijk en Henk van Engen komen aan het woord. Deze podcast is een aanrader voor iedereen die een rol speelt aan de technische kant van televisieproducties. Het gaat vooral over een grote verandering die haast onopgemerkt heeft plaatsgevonden in het productieproces van televisieprogramma’s. Namelijk dat een televisieregisseur zich anno 2022 anders moet opstellen tegenover de mensen waarmee hij werkt dan pakweg vijftien jaar geleden. 

Budie heeft daar moeite mee. Volgens hem kan je niet meer zomaar met een vuist op tafel slaan of een halve vloek door de intercom kan laten rollen als iets niet gaat zoals je wil, want dan komen er klachten vanuit de ploeg of zelfs van de opdrachtgever. Op het moment dat de spanning oploopt en er enige frustratie om de hoek komt kijken, mag de regisseur niet eens meer zuchten, omdat mensen daar heftig op reageren. De hamvraag van deze podcast is of het ten koste gaat van de kwaliteit van programma’s als de regisseur in het heetst van de strijd zijn of haar emoties onder controle moet houden. 

Het levert een interessante podcast op, maar uiteindelijk komt er geen antwoord op die vraag. Voor mijn gevoel blijft het een beetje hangen in een generatiekloof-dingetje en dat is zonde. Als je er alleen zo tegenaan kijkt, doe je die grote namen van weleer tekort. Maar het gesprek heeft mij ook aan het denken gezet. Ik denk dat er inderdaad wel iets is veranderd. 

Er was een tijd waarin het in televisieland vrij normaal leek te zijn dat bepaalde regisseurs hun crew op niet zachtzinnige wijze duidelijk maakten hoe zij het hebben wilden. Vloeken was daarbij niet ongebruikelijk. Ze konden mensen soms behoorlijk op hun huid zitten. Ook was er regelmatig iemand in de ploeg de pispaal en op die manier probeerden bepaalde regisseurs alle overige medewerkers op scherp te zetten. Het motto was: ‘If you can’t stand the heat, stay out of the kitchen.’ Het kon er hard aan toe gaan. Sommige regisseurs waren gevreesd, omdat ze echt genadeloos waren.

Of dat goed of slecht was wil ik in het midden laten. Het was de tijdsgeest en die is veranderd.

Omgangsvormen worden in de hele maatschappij anders en dus ook in onze business. Mensen geven sneller hun grenzen aan en gaan tegenwoordig anders om met kritiek. Ik geloof echt niet dat we gevoeliger zijn geworden en het zegt mijns inziens ook helemaal niks over de kwaliteit of motivatie van de huidige generatie professionals. 

Ik vind het persoonlijk een goede ontwikkeling dat het baasje meer een ‘people-manager’ is geworden. In mijn ogen is nog nooit een televisieprogramma beter geworden van een zuchtende en steunende regisseur. Sterker nog, op mij persoonlijk werkt dat averechts. Ik weet ook wel dat een zoompje niet lekker liep of een shot hakkelde. Als ik een shot mis, een ongecontroleerde camerabeweging maak of anderszins sta te klooien, dan heb ik het zelf meestal als eerste in de gaten. Het is op zulke momenten de kunst om rust te bewaren en jezelf daar zo snel mogelijk overheen te zetten. Je moet door. Concentratie herpakken en niet nog meer fouten maken. Een regisseur mag op zo’n moment best even laten merken dat hij baalt, maar zodra hij of zij gaat kreunen, zeuren, mopperen, zeiken of zelfs schelden, kan je de klok er op gelijk zetten dat er meer fouten gemaakt worden. Een zucht kan dodelijk zijn voor de hele productie. Of de ‘t’ die je met je tong maakt, vlak voor er een zucht ontsnapt. Dat komt echt binnen met de intercoms van tegenwoordig. Een regisseur zit dan letterlijk en figuurlijk tussen je oren. Zeker als hij of zij erin blijft hangen. Voor je het weet wordt de hele ploeg angstig en schieten meer mensen op slot. In de hoop dat het hen niet zal overkomen gaan collega’s minder risico’s nemen en dus ben ik van mening dat de kwaliteit van een productie er absoluut niet bij gebaat is als een regisseur geïrriteerd raakt. 

Natuurlijk heeft een regisseur de verantwoordelijkheid, bepaalt hij of zij de koers en moet er iemand duidelijk zijn. Een keertje uit de bocht vliegen is natuurlijk geen probleem. We werken in een stressvol wereldje en er mag een hoge mate van vakmanschap worden verwacht. Daar leiding aan geven kan op allerlei manieren. Het is de toon die de muziek maakt. Gelukkig is dat de afgelopen jaren in positieve zin veranderd. De tijd van brulboeien, waarbij cameramensen met knikkende knieën achter hun camera stonden en bijna niemand iets durfde te zeggen, is voorbij. 

De regisseurs waarmee ik het liefst werk benaderen alle individuen in een ploeg met respect en zij staan altijd open voor suggesties. Het draait allemaal om het inspireren van mensen. Door iedereen in het team verantwoordelijk te maken voor een eigen afdeling, krijg je een op en top gemotiveerde en trotse ploeg. Soms ontstaat er inderdaad een discussie die even afgekapt moet worden, maar het mooie is dat je een programma krijgt dat niet alleen van de regisseur is, maar van het hele team. Programma’s worden beter wanneer iedereen bereid is om tot het gaatje te gaan en wanneer een regisseur in staat is om zelfs de zwakste schakel beter te maken.





dinsdag 4 oktober 2022

Bo en de meningen...

 

Ronald Rovers ken ik niet. Joost van Ginkel wel. Rovers schreef voor Trouw een behoorlijk vernietigende recensie over Bo, de fonkelnieuwe film van mijn vriend Joost. Natuurlijk mogen beschouwingen in de krant kritisch zijn, maar persoonlijk vind ik dat de analist het wel zorgvuldig moet onderbouwen. Hier heeft een stukjespoeper in tien minuten een kunstwerk door de plee getrokken waar mensen zeven jaar lang met hart en ziel aan hebben gewerkt. Rovers had kunnen volstaan met het zinnetje: “Persoonlijk vond ik er geen zak aan.” Dat was eerlijker geweest.

Afgelopen dinsdag, tijdens het Nederlands Film Festival, ging Bo in première. Ik heb deze roadmovie in de stampvolle schouwburgzaal mogen bekijken. Misschien ben ik minder objectief dan de Trouw recensent. Ik was onder de indruk. Het scenario van de film is op zijn zachtst uitgedrukt verrassend, het camerawerk is prachtig, het geluid en de muziek zijn on-Nederlands goed en er is indrukwekkend knap geacteerd. Met name hoofdrolspeelster Gaite Jansen komt dwars door het bioscoopdoek heen. 

Grappig genoeg stond in de Filmkrant een ijzersterkte recensie van Karin Wolfs over deze film. Zij schrijft: “Deze roadmovie over de zoektocht van de jongvolwassen Bo naar het verleden van haar overleden vader misleidt het publiek vakkundig in een meeslepende meesterproef over de destructieve kracht van leugens.” En ze sluit af met: “Een film als een wolf in schaapskleren. Hoe je die waardeert, hangt af van hoe je Van Ginkels leugens opneemt.”

Ik lees niet vaak recensies, maar nu ben ik betrokken. De maker is mijn vriend en dus lees ik alles. Het roept bij mij de vraag op wat het nut van deze stukjes in de krant is. Een positief oordeel is mooi meegenomen voor de filmmaker en een fijne zin kan meegenomen worden op de filmposter, maar de recensie is eigenlijk slechts een persoonlijke mening. Zeker als die negatief is. Daar heb je niks aan. Met een negatieve recensie is de wereld niet geholpen. In dit geval zeker niet. Het hoeft je smaak niet zijn, maar als je verstand van (arthouse) film hebt, dan zie je dat Bo aan alle kanten met liefde, passie en vakmanschap is gemaakt.

Joost van Ginkel schrijft én regisseert films die ertoe doen. Stiltes kunnen pijnlijk zijn en dialogen mogen schuren. Hij zegt veel met beelden. De filmmaker heeft een unieke en inmiddels herkenbare signatuur. Je hebt iets om over na te denken als je de bioscoop weer verlaat. Bij zijn vorige film (Paradise Suite uit 2015) had ik letterlijk buikpijn toen de benauwende film was afgelopen. Dat was nu gelukkig niet het geval, maar verwarrend was het zeker. Het maakt een bioscoopbezoek voor mij interessanter dan wanneer je een happy end al mijlenver van tevoren ziet aankomen. 

 

Uiteindelijk moet iedereen voor zichzelf bepalen of Bo een geslaagde film is of niet. Je moet naar de bioscoop en dan kan je daarna een recensie uitzoeken die bij je past. Ik ga voor de Filmkrant! 





 

 

woensdag 28 september 2022

tv gekocht!

 

Het afgelopen weekend deed ik hier een oproep om geld in te zamelen voor een school in de Indiase stad Varanasi. De kinderen in de sloppenwijk Nagwa hadden tien jaar geleden een televisie op school gekregen, dankzij de giften van de lezers van dit weblog. Die tv heeft het onlangs begeven en dus leek het mij aardig om te kijken of we met collega's van de televisie in Nederland een nieuw toestel zouden kunnen schenken aan de Stichting Duniya... 

Nou, dat is gelukt! In een paar dagen tijd hebben een groot aantal collega's, vrienden en bekenden met elkaar iets meer dan € 1.600,- geschonken. Dat is drie keer het benodigde bedrag en toevallig ongeveer hetzelfde bedrag dat we tien jaar geleden bijelkaar brachten. 

De mensen van Stichting Duniya zijn super blij met deze bliksemactie. De nieuwe televisie is gelijk aangeschaft en opgehangen. Ik kreeg vanmorgen foto's doorgestuurd van de leerlingen in Nagwa die dolgelukkig naar het eerste educatieve programma op hun nieuwe tv keken. Bij mij was dat goed voor kippenvel. Ik ben er echt even stil van.

Het is een mooi voorbeeld van hoe wij met elkaar iets kunnen betekenen voor anderen. De gekke wereld waarin we leven kunnen we niet zomaar veranderen, maar we kunnen wel de wereld van iemand veranderen. Dat hebben we een klein beetje gedaan. Ik wil iedereen enorm bedanken die iets of iets meer heeft bijgedragen. Ook namens Debby en de andere mensen van Duniya. En natuurlijk namens de leerlingen en docenten van de school in Varanasi. Als je daar in de buurt bent en je wil even tv kijken... voel je vrij.  





zaterdag 24 september 2022

Help! Alsjeblieft...

 

Tien jaar geleden (om precies te zijn op zondag 25 november 2012) schreef ik een blog waarin ik een oproep deed om geld in te zamelen voor de Stichting Duniya. Een van de mensen achter die organisatie, is mijn zeer gewaardeerde collega Debby Ego. In het dagelijks leven is zij werkzaam als tv-producer, maar in haar vrije tijd is ze engel. In die hoedanigheid zet zij zich in voor een school in de Noord-Indiase stad Varanasi en daarmee geeft ze arme kinderen uit de sloppenwijk Nagwa een kans.

Ik vind het persoonlijk tof om zulke kleinschalige projecten te steunen. Hier blijft er niets van je donatie aan de strijkstok hangen en verdwijnt geen geld in de financiering van kantoorpanden. Wat je aan Duniya geeft gaat rechtstreeks naar de projecten. Het wordt tot op de cent goed besteed. 

Al een aantal keren kreeg ik na een gift foto’s waarop te zien was wat er met mijn bijdrage was gebeurd. Zo ook tien jaar geleden. Toen heb ik een spontane actie opgezet om, samen met zoveel mogelijk collega’s uit het televisievak, geld in te zamelen voor een televisie op de school in Varanasi. Binnen een paar dagen hadden we met de actie ‘tv van de tv’ genoeg geld bij elkaar. Vervolgens kregen we al snel foto’s doorgestuurd van het kopen en ophangen van die televisie. De afgelopen jaren stuurde Debby mij af en toe een kiekje waarop te zien was dat een grote groep leerlingen aandachtig naar educatieve programma’s zaten te kijken. 

Maar nu hoorde ik dat ‘onze’ televisie stuk is. Na precies tien jaar heeft deze het begeven. Er moet een nieuw toestel worden aangeschaft en dat is voor de school een flinke investering. Eigenlijk geven zij het geld van Duniya liever uit aan voedselprojecten, noodhulp bij overstromingen, medicijnen of bijvoorbeeld een keer aan een rolstoel als dat acuut nodig is. 

Dus probeer ik het na tien jaar nog eens. Kunnen wij met z’n allen een nieuwe televisie financieren voor de school in Nagwa? Een nieuwe tv van de tv? 

Het gaat om een bedrag van zo’n € 500,-. Dat moet toch te doen zijn als we allemaal een paar euro overmaken. Of iets meer. Het kan ook geen kwaad als het eindbedrag hoger uitvalt. Daar weten ze bij Duniya wel raad mee. 


Daarom roep ik alle trouwe lezers van dit weblog op om even de bankieren-app te openen en een klein bedrag te storten op: ABN AMRO  NL22 ABNA 0441 6243 83 ten name van Stichting Duniya, Bantega en onder vermelding van ‘tv van de tv’. Help mij, help Debby en help vooral de kinderen op de school in India. Het motto van Duniya is : We kunnen de wereld niet veranderen, maar iemands wereld wel. En zo is het maar net. Mijn dank is groot!







vrijdag 9 september 2022

track camera

 

Achter de camera’s, die langs het circuit staan opgesteld voor de wereldwijde televisie-uitzendingen van de Formule 1, is van glitter en glamour geen sprake. De operators staan op kleine platformpjes, achter een stevig hek en met slechts een beetje beschutting, tegen zon, wind of regen, van een paar zeilen die ze zelf hebben opgehangen. Het zijn lange dagen. Niet zelden gaat de wekker tussen vijf en half zes. Voor dag en dauw vertrekt de bus bij het hotel. Op vrijdag, zaterdag en zondag worden ze voor acht uur al gedropt op hun positie langs de baan en pas rond half zeven ’s avonds komen de busjes terug om ze weer op te pikken. Rond het middaguur wordt een warme lunch bezorgd. Dat is nieuw en pure luxe in de ogen van de operators die dit werk al jaren doen. In een kleine koeltas hebben ze wat drankjes, een banaantje, een yoghurtje en enkele mueslirepen om de dag verder door te komen. 

De hele dag staan ze op hun poten en volgen ze de raceauto’s die voorbijrazen. Formule 3, Formule 2, Porsche Supercup en natuurlijk de Formule 1. Ook als het rode lampje in de zoeker niet brandt, moeten ze zo geconcentreerd mogelijk blijven meebewegen. Je weet immers nooit wanneer er eentje van de baan stuitert. Alles wordt opgenomen. Elke camera langs de baan, iedere onboardcamera en alle camera’s in de pits. Tussen de verschillende onderdelen kunnen ze even zitten op een camerakist of naar een Dixi lopen. Pas na afloop, in de bus naar het hotel, spreken ze hun collega’s weer, al zijn ze vaak zo uitgeblust dat iedereen dan een beetje voor zich uit zit te staren. 

Ik heb de afgelopen weken veel respect gekregen voor de collega’s die de Formule 1 in beeld brengen. Twee weekenden mocht ik mee met de enorme crew die de ‘worldfeed’ verzorgt. Het zijn voornamelijk Engelsen en een paar verdwaalde Italianen. Zij doen dit met elkaar al jaren en de meesten doen er niet veel andere klussen naast. Het hele jaar reizen ze van circuit naar circuit. Alles wat ze nodig hebben nemen ze zelf mee in grote vliegtuigcontainers. De camera’s, alle kabels, een enorme tent vol moderne techniek en zelfs de steigertjes waarop de cameramensen langs de baan staan. Het is super interessant om van binnenuit te zien hoe deze gigantische operatie in zijn werk gaat. Alles gaat razendsnel. Zelfs het loopje van de bus naar het tv compound. Als je even niet oplet zijn ze alweer gevlogen. Om eerlijk te zijn was ik na Spa en Zandvoort dan ook compleet gesloopt. Het tempo, de stress, lange dagen, de hectiek in de intercom, alle herrie en drukte om me heen…

Maar mij hoor je zeker niet klagen. Het is super tof dat ik na mijn debuut in 2021 weer teruggevraagd ben. Dit is de crème de la crème van de autosport en ook televisie-technisch ligt de lat heel hoog. Miljoenen mensen over de hele wereld kijken mee. Voor zover ik weet is dit het grootste rondreizende tv-circus van de wereld. Het is een hele kluif om mee te draaien in dit team van specialisten. Zij kennen àlle kneepjes van het vak, zien mijlenver van tevoren aankomen wanneer er iemand van de baan gaat schieten en kennen niet alleen de sterren van de Formule 1, maar ook het hele rijdersveld van de andere raceklassen die voorbijrazen. 

Tijdens de live-uitzendingen gaat het vooral om communicatie. Dat gaat er heel anders aan toe dan bij alle andere sporten die ik ooit gefilmd heb. Er zijn twee regisseurs. Eentje voor alle camera’s langs de baan. Dat noemen ze de ‘trackdirector’. Hij is aanwezig op het circuit en heeft direct contact met alle camera operators. Het zijn er gemiddeld een stuk of vijfentwintig. Daarnaast heb je de eindregisseur en die zit tegenwoordig in de Engelse thuisbasis van de Formule1, naast een klein vliegveld in Biggin Hill. Hij schakelt op afstand tussen de ‘trackfeed’, de camera’s in de pitlane, een helikopter, de flycam en alle onboards. Ook bepaalt hij welke herhalingen er getoond moeten worden en voegen ze daar alle graphics toe. 

De twee regisseurs hebben allebei iemand naast zich, die in overleg kiezen welke gevechten op de baan of verhalen in de pitlane belangrijk zijn voor de uitzending. Alle vier die stemmen hoor je als camera operator via je koptelefoon en dat is behoorlijk druk op spannende momenten. Zeker bij de start en wanneer er veel gekke dingen tegelijk gebeuren. Het gaat van het ene gevecht naar het andere en dus moet je achter de camera precies weten waar ze zitten en welke rijders gevolgd moeten worden. Het is zeker niet zo dat je altijd met de eerste mee kan zwiepen. Bovendien rijden ze op een korte baan, als die in Zandvoort, al heel snel door elkaar. Dan komen ze niet meer in de juiste volgorde aan je neus voorbij.

De cue’s die de regisseurs geven zijn gelukkig meestal superduidelijk. Bovendien kan je ‘extern’ kijken. Door op een knopje te drukken zie je in de zoeker welk beeld er in de uitzending is. Zo kan je kijken welke auto’s gevolgd worden door de camera’s die voor je staan. Dat helpt enorm, maar het blijft snel schakelen.

De kick is groot als het uiteindelijk allemaal klaar is en goed is gegaan.

 

Inmiddels is die hele crew alweer volop in actie op het circuit van het Italiaanse Monza. Zondagmiddag lig ik lekker op de bank met een biertje. Ik zal met plezier, maar vooral ook met veel waardering naar hun fantastische beelden kijken. 





vrijdag 26 augustus 2022

windtunnelonderzoek en cameramotoren

 

Het is niet eenvoudig om als cameraman, vanaf een rijdende motor, mooie beelden te maken van wielrenners of hardlopers. Je moet je balans houden, mag niet te veel onverwachte bewegingen maken en kijkt in een zoeker om te zien wat je filmt. Ondertussen moet je de camera recht en stilhouden, de focus instellen, soms het diafragma controleren, inzoomen of uitzoomen. Het is mooi als je de sporters zoveel mogelijk in het gezicht kan kijken. De kijker ziet graag af en toe een close-up en niet alleen ruime totaalshots. Terwijl motor en sporter ten opzichte van elkaar blijven bewegen, moet je als cameraman anticiperen. Drempels, slecht wegdek, scherpe bochten, smalle wegen, remmen en optrekken; het helpt allemaal niet mee. Soms is een shot minutenlang in de uitzending en gaat de motor min of meer in een halve cirkel om het onderwerp heen. Dan moet je de camera over de motorrijder heen tillen, want je wil de motor en de bestuurder het liefst niet in beeld zien. Op het ene moment kijk je vooruit en even later zit je als een wokkel gedraaid om achteruit te kijken. Dat vereist een bepaalde lenigheid, kracht, handigheid, kennis van de sport en lef. 

Zelf heb ik enige ervaring op dit gebied, maar ik heb het nooit geschopt tot grote wielerkoersen. Dat is de ‘Champions League’ van het motorcamerawerk en daarvoor ben ik niet goed genoeg. Wellicht niet lenig en/of niet sterk genoeg. Trots ben ik op een aantal belangrijke marathons en triatlons die ik heb mogen filmen vanaf de motor, waaronder de marathon van Berlijn en die van Amsterdam. De triatlon van Almere doe ik al jaren en de afgelopen week was ik voor de tweede keer bij de Collins Cup in Slowakije. Dat is een nieuwe vorm van triatlon, waarin teams uit verschillende werelddelen het tegen elkaar opnemen. Het vorig jaar heb ik na de eerste editie in een blog uitgelegd hoe dit werkt. Ook dit jaar waren we weer met twaalf (!) cameramotoren van NEP The Netherlands van de partij.

Tijdens het onderdeel wielrennen kwam er een motor van de jury naast ons rijden, om aan te geven dat wij met onze cameramotor te dicht op de atleet reden en dat we meer afstand moesten nemen. Ik dacht dat ik gek werd. We reden al minimaal vijftien of twintig meter voor de dame op de fiets en niet eens recht voor haar, maar een beetje schuin ervoor. Als we nog verder naar voren zouden gaan, dan kon ik geen steady beeld meer maken. Je moet weten dat het lastiger wordt als je vanaf de rijdende motor verder moet inzoomen om een wielrenner in je shot te houden. Elke kleine trilling van de camera wordt door het inzoomen uitvergroot. Als televisiekijker word je uiteindelijk gek van het zwabberende beeld.

Om eerlijk te zijn ergerde ik me aan het jurylid met zijn dwingende gebaartjes en hij stoorde zich blijkbaar ook aan de verontwaardiging bij ons. Een hele poos bleef hij in onze buurt rijden om te controleren of we wel voldoende afstand hielden. 

Ik vertelde dit verhaal zondag in het vliegtuig naar huis tegen een collega. Hij wees me op recente Tweets van onderzoeker Bert Blocken (@realBertBlocken), die voor de TU in Eindhoven en KU in Leuven onderzoek doet naar het effect van voertuigen die voor, achter en naast een wielrenner rijden. Ik zag daarbij een soort grafiek waaruit blijkt hoeveel profijt wielrenners hebben van motoren in de koers. 

Zelfs wanneer een cameramotor veertig meter afstand houdt, dan nog heeft de renner (als deze 46,8 kilometer per uur rijdt) een voordeel van 2,6 seconden per kilometer ten opzichte van een tegenstander waar geen motor in de buurt is. Ook als je met een motor tien meter achter een renner rijdt, heeft de renner blijkbaar een minimaal voordeel door de voortstuwende werking. Uit deze onderzoeken in de windtunnel blijkt ook dat renners er baat bij hebben wanneer je naast ze rijdt. 

Om even terug te keren naar ons jurylid bij de Collins Cup; ik weet niet of die zich bewust was van het feit dat zijn eigen jurymotor ook effect had op de triatleet in kwestie. Zij reden nogal dicht achter haar en twee motoren in de buurt van een renner doen meer dan één professionele cameramotor. Om de wedstrijd eerlijker te maken had hij beter voor de nummer twee kunnen gaan rijden.

Ik heb deze week het onderzoek van Bert Blocken gelezen. Het betoog is helder. Een cameramotor is altijd van invloed op de prestaties van de deelnemers aan een wedstrijd. In mijn ogen is dit onvermijdelijk en iets waar iedereen zich bij neer moet leggen. Je kan nou eenmaal niet zoveel afstand nemen dat je geen invloed hebt, want dan kan je onmogelijk nog beelden maken waar de televisiekijker rustig naar kan kijken. En televisie is de reden waarom sponsors de sport interessant vinden. Zonder tv, geen geld. Zonder geld geen sport. 

Blocken zelf stelt in zijn conclusies voor dat wielerkoersen wellicht in de toekomst in beeld gebracht kunnen worden met behulp van drones. Dat klinkt leuk, maar die techniek is nog lang niet zo ver dat je daarmee een wielerkoers over grote afstanden kan coveren. Op dit moment is dat veel te gevaarlijk voor renners en publiek. Drones kunnen niet lang genoeg vliegen op hun batterijen, de beeldkwaliteit van kleine drones is niet goed genoeg, je kan er niet mee inzoomen, verbindingen zijn niet stabiel en een drone operator moet zicht hebben op zijn drone wanneer hij in onbekend terrein vliegt. Grote drones doen ook iets doen met luchtcirculatie, maar laten we het daar niet over hebben, want anders gaan ze straks nog onderzoek doen naar de effecten van laaghangende helikopters.

Om de sport eerlijker te maken moet je bij elke ontsnapping een motor moeten laten rijden, maar dat gebeurt in grote koersen al. Bij de Collins Cup zou dat betekenen dat we niet met 12, maar met 36 motoren in de wedstrijd hadden moeten rijden. Dat gaat best ver. 

Neem van mij aan dat er geen pasklare oplossing is voor dit probleem. Dus denk ik dat we voorlopig niets opschieten met de meetresultaten van Blocken. Het zal vooral leiden tot onrust, irritatie en frustratie. Renners en ploegleiders worden boos op cameramotoren als het ze niet uitkomt of ze maken er juist dankbaar gebruik van wanneer het in hun voordeel is. Juryleden hebben er hun handen vol aan en de ‘deskundigen’ zullen in hun analyse telkens weer wijzen naar die verfoeide motoren. De cameramensen en hun motards, die ervoor zorgen dat we kunnen genieten van mooie tv-beelden, zijn de gebeten hond.






woensdag 24 augustus 2022

personeelstekort in Omroepland

 

Er stond vanmorgen een artikel in het AD over personeelstekort in de televisiewereld en ik moet eerlijk bekennen dat het voor mij persoonlijk goed nieuws is. De vraag naar professionals in mijn business is groter dan het aanbod en blijkbaar is het niet eenvoudig om verse aanwas te vinden. 

Tijdens het lezen van dit stuk moest ik gelijk denken aan donderdag 11 juni 2020; een van de donkerste dagen uit mijn hele carrière. Die middag, midden in coronatijd, was er een webinar van de Broadcast Media Society. In Beeld en Geluid zaten de grote bazen van omroepen, productiemaatschappijen en omroepen voor de camera zichzelf en elkaar op de borst te kloppen over hoe goed zij het hadden gedaan tijdens de eerste lockdown. Ondertussen stonden alle freelancers buitenspel, hadden concurrerende bedrijven zelfs samenwerkingsverbanden georganiseerd om eigen personeel uit te ruilen en vingen al hun bedrijven samen miljoenen van de overheid (NOW) om te kunnen overleven. Maar toen ik als ZZP’er (op verzoek van de organisatie) inbelde met de vraag of ze zich niet meer zorgen moesten maken over alle freelancers werd er vol verbazing gereageerd en gek naar mij gekeken. Het leverde zelfs een serieuze fittie op met een van de CEO’s van een grote productiemaatschappij, die beweerde dat we maar even 20% van onze dagprijs af moesten doen. Na afloop van die online bijeenkomst kookte ik van woede. 

Op dat moment heb ik me voorgenomen dat ik me meer moest richten op nieuwe markten en op partijen die zelfs in de coronatijd loyaal waren. Ik heb een lijstje opgesteld met namen van mensen die in die periode wel begrip toonden en met mij meedachten over mogelijke oplossingen. Dat handgeschreven papiertje ligt nog steeds op mijn bureau. Als er iemand belt die daarop staat, dan krijgt hij of zij nog altijd voorrang. Het heeft geleid tot een aantal nieuwe opdrachtgevers met hele interessante opdrachten (voor een deel buiten de televisiewereld) en ik heb mezelf de afgelopen twee jaar op verschillende vlakken verder kunnen ontwikkelen. Achteraf gezien zou je zelfs kunnen zeggen dat corona, en die bijeenkomst in het bijzonder, goed voor mij zijn geweest.

Ik ben echt niet de enige freelance camera operator die naast het werk voor televisie ook meer voor andere opdrachtgevers is gaan werken. De zakelijke markt is (mede dankzij corona) gegroeid. Bedrijven en instellingen maken steeds vaker gebruik van video. Organisaties van allerlei evenementen of creatievelingen kiezen ervoor om hun eigen content te maken en distribueren, zonder de hulp van televisiebedrijven. De markt is aan het schuiven en de televisiewereld hobbelt daar opeens een beetje achteraan. Het is echt niet zo dat veel ervaren professionals zich hebben laten omscholen, maar ik geloof wel dat een serieus percentage van al mijn collega’s na corona minder beschikbaar is voor televisieopdrachten dan daarvoor. Dat is een beetje eigen schuld, dikke bult.

Een bijkomend voordeel van de krapte op de markt is dat onze tarieven eindelijk omhoog kunnen. Ik hoop dat alle omroepen en producenten rekening houden met serieuze prijsstijgingen aan het eind van dit jaar. Overigens zijn onze dagprijzen tussen 2003 en 2021 nauwelijks gestegen, dus het is ook hard nodig. Jarenlang kreeg je bij onderhandelingen te horen dat ze voor jou tien anderen hadden, dat het werk toch leuk was en dat je blij moest zijn als je een bepaald programma mocht draaien. Daarnaast was het een gewoonte om freelancers in onze branche uit te maken voor ‘zakkenvullers’ en waren camera- en geluidsmensen altijd te duur, terwijl de gemiddelde schilder, loodgieter of automonteur een substantieel hoger uurtarief heeft. Nu zie je dat met name jongeren niet meer zo onder de indruk zijn van alle glitter en glamour bij de televisie. Zij komen niet meer zomaar voor een appel en een ei werken in avonduren en weekenden. Zeker niet als ze merken dat hun vrienden in andere branches meer verdienen en niet onregelmatig hoeven te werken. Deze week sprak ik er nog eentje die na een paar jaar Hilversum toch gekozen heeft voor een baan bij een ICT bedrijf.

Ik heb een gloeiende hekel aan mensen die altijd achteraf hun gelijk willen halen en voortdurend zeggen: ‘Ik zei het toch!’ Maar in dit geval kan ik het niet laten om even te benadrukken dat ik dit voorspeld heb. Om precies te zijn op donderdag 11 juni 2020. Lekker pûh…





vrijdag 19 augustus 2022

Renato

 

Renato Coenen meldde zich ergens rond het jaar 2001 bij CamCompany als geluidsman, maar werd aangenomen als materiaalplanner. Ik meen me te herinneren dat ik vlak na zijn sollicitatiegesprek aan hem werd voorgesteld door onze toenmalige manager. Een leuke kerel met pretoogjes. Zonder morren ging hij aan het werk in het kantoortje naast de ingang en eerlijk gezegd kan heb ik daar weinig herinneringen aan. Renato deed zijn ding. Wat ik hem vroeg, dat werd voor me geregeld. Pas toen hij na een paar jaar naar boven verhuisde, van de middelenplanning naar de mensenplanning, kreeg ik veel meer contact met hem. 

Hij vormde uiteindelijk een gouden trio met Martin en Chris. De planning van een cameramensenbedrijf moet duidelijk en oprecht zijn. Met een leugentje om bestwil of een slap verhaal kom je daar niet weg. Maar het belangrijkste was de pret die deze drie helden met elkaar hadden. Het was altijd de moeite waard om even bij de planners naar binnen te lopen als je in de buurt was. Hun kantoor verliet je nooit zonder een glimlach op je gezicht. Niet in de laatste plaats door de meest verrassende of idiote vragen die Renato vanuit het niets kon stellen. Of door een gênant verhaal dat hij zonder schroom kon vertellen. 

Ik herinner me dat hij ooit vertelde dat hij zich na school bij de juf van zijn zoontje had moeten melden, omdat die een gek liedje in de klas had gezongen. Of hij wist hoe zijn kleine jongen op zulke teksten kwam? Renato wist het gelijk, maar kon natuurlijk niet toegeven dat hij zelf die ochtend, tijdens het smeren van de boterhammen van zijn zoon, hardop in de keuken had staan zingen: ‘Juffrouw Willemien, mag ik je tieten even zien?’

Ik kan het bij lange na niet zo leuk opschrijven als het was toen hij dit vertelde. Je zou zijn blik erbij moeten zien met van die grote onschuldige Bambi-ogen. Dit kon toch iedereen overkomen? Dacht hij. Zijn heerlijke eerlijkheid maakte dat bij ons de tranen over de wangen biggelden van het lachen. ‘Hebben jullie zoiets nou nooit?’, vroeg hij dan om zichzelf enigszins vrij te pleiten. Of ‘Heb ik weer…’ zei hij dan.

Een keer zat ik in de auto en belde Martin om mijn klus voor de volgende dag door te spreken. Dat ging toen nog gepaard met een ‘normaal’ gesprek en niet met een onpersoonlijk WhatsApp-bericht. Ik moest naar een beroemde sportster voor een interview met een verslaggever van Studio Sport. Op de achtergrond hoorde ik Renato iets roepen, maar dat kon ik niet verstaan. Martin zei: ‘Vraag hem dat zelf maar,’ en gaf de hoorn van de telefoon aan zijn collega. ‘Ja, met Renato,’ hoorde ik. ‘Ik vroeg me af of jij ook wel eens bedacht hebt hoe het zou zijn om je door die dame waar je morgen heen mag te laten pijpen?’ Ik moest dat ontkennen. Temeer omdat ik in de auto zat, de telefoon op de speaker stond en mijn lieve lief naast me zat. Toen ik dat tegen Renato zei heeft hij wel duizend keer zijn excuses aangeboden. Je hoorde hem aan de andere kant van de lijn door de grond zakken. Twee dagen later zat er een groot pakket bij de post en kreeg mijn vrouw als goedmakertje een ‘Scheldwoordenboek’ cadeau met daarbij een lange handgeschreven excuusbrief. Je begrijpt dat Renato sindsdien helemaal een speciaal plekje in ons hart heeft en moeten wij hier thuis altijd glimlachen als zijn naam valt.

Nou lijkt het misschien door deze anekdotes dat het alleen maar plat en seksistisch was, maar dat is zeker niet het geval. Alleen zijn dit de verhalen die vooral bij mij zijn blijven hangen. Zegt misschien meer iets over mij dan over Renato. We voerden ook serieuze gesprekken. Over het leven en over de wereld om ons heen. Na een paar jaar pakte hij af en toe zijn werk als geluidsman weer op en in die tijd hebben we regelmatig met elkaar gedraaid. Dat waren altijd leuke dagen. Vooral vanwege alle plezier die we samen hadden. 

We hebben een keer een optreden van zijn bandje opgenomen in Ermelo. Het leuke was dat we enorm konden uitpakken en een grote groep collega’s deed op een vrije zaterdagavond belangeloos mee. Delen van die video heb ik onlangs nog op YouTube teruggevonden.

De laatste jaren werkte Renato als docent op een AV-opleiding in Zwolle. Daar heb ik wel eens een gastles mogen geven. We hadden met enige regelmaat contact met elkaar, maar lang niet meer zo intensief als in de jaren waarin we samenwerkten. De appjes die ik op mijn telefoon terug kan lezen gingen sinds 2016 voornamelijk over zijn broze gezondheid. De laatste keer dat we contact hadden was in januari van dit jaar. Ik had een Facebookherinnering gekregen dat de gastles die ik voor zijn klas verzorgd had alweer 8 jaar geleden was. Zoiets moest ik even met hem delen. We hadden het over zijn nieuwe passie: Hij maakte sinds een tijdje Italiaanse worsten met een goede vriend. “Wie weet eindig ik als worstboer,” schreef hij. Ik reageerde met de mededeling dat ik graag een keer kwam proeven. Het is er niet meer van gekomen.

Op vrijdag 8 juli 2022 is Renato na een kort ziekbed, in het bijzijn van zijn geliefde overleden. Hij is slechts 61 jaar geworden. 








zaterdag 13 augustus 2022

cameraman (m/v), camerapersoon, cameramens of camera operator?

 

Er zullen vast mensen zijn die vinden dat ik nu doorsla of té woke ben als ik een discussie wil starten over de term ‘cameraman’, maar is die nog van deze tijd? Best veel zeer gewaardeerde collega’s zijn immers vrouw. Wanneer je in algemene zin spreekt over een cameraman, dan doe je deze professionals eigenlijk tekort. Als ik stukjes schrijf over mijn werk, dan stoort mij dat in steeds grotere mate, maar je kan ook niet in elke zin voor de volledigheid ‘cameraman en/of cameravrouw’ schrijven. Dat komt de leesbaarheid niet altijd ten goede. 

Ik heb het om te beginnen voorgelegd aan een paar ‘ervaringsdeskundigen’. Een piepklein onderzoekje, waaruit al snel bleek dat de term ‘cameraman’ inderdaad soms wat ongemakkelijk is. Als we spreken over cameramannen, terwijl het ook over vrouwen gaat, dan vinden de meeste dames dat toch stom. Het is geen ‘big deal’ of halszaak, maar het geeft volgens een van mijn vrouwelijke steekproefcollega’s wel aan dat er nog een weg te gaan is wanneer het gaat over échte gelijkheid tussen mannen en vrouwen. 

Ik heb vijf minuten gezocht op het internet en kwam er al snel achter dat genderneutraal taalgebruik niet alleen een kwestie is van politieke correctheid. Taal heeft invloed op onze houding, ons gedrag en op de opvattingen van mensen in het algemeen. Vrouwelijke en mannelijke woorden ‘beleven’ we (vaak onbewust) op een heel andere manier. Uit onderzoek is gebleken dat vrouwen sneller solliciteren als je bijvoorbeeld in vacatures niet alleen schrijft dat er ‘een cameraman’ wordt gezocht, maar een ‘cameraman/vrouw’. Het schijnt ook dat vrouwen eerder geschikt worden bevonden als je een functietitel genderneutraal maakt en meisjes zien zo’n functie eerder voor zich op hun carrièrepad. Als je nadenkt over dat grotere plaatje zou het een kleine, maar mooie stap in de goede richting zijn als we er op zijn minst eens over nadenken of met elkaar van gedachten wisselen. 

Een vrouwelijke collega mailde: “Het is een onderwerp waarbij ik vaker ongemak bij anderen bemerkt heb dan bij mezelf. Ik heb er geen moeite mee als op een callsheet de term ‘cameraman’ gebruikt wordt en mijn naam daarachter staat, hoewel je net zo makkelijk alleen ‘camera’ kan gebruiken, of ‘audio’. Waarom moet er eigenlijk man/vrouw achter? Als we dat weglaten, zal toch niemand een hond, paard of mier verwachten?” En... “Mezelf cameraman noemen, dat klinkt me dan weer vreemd in de oren. In het meervoud is het makkelijk. Dan kunnen we gewoon over de cameraploeg of de cameramensen spreken. Weten we zeker dat er geen olifanten tussen zitten.”

Een ander schreef dat het iets is waar ze zich in het verleden weldegelijk aan gestoord heeft. Binnen het bedrijf waar zij werkt heeft ze hier ook wel eens opmerkingen over gemaakt, maar haar ervaring is dat het de afgelopen tijd juist heel goed gaat. Mensen zijn zich blijkbaar al steeds meer bewust van de genderaanduiding bij verschillende functies. Gelukkig.

Een derde collega schreef: “Ik ben zelf fan van het woord cameramens (als je het niet over een specifiek iemand hebt) voor wat betreft spreektaal en operator of alleen het woord camera voor het callsheet. Als ik een stuk lees dat mij ook aangaat en er wordt alleen over cameraman gesproken, is dat wel jammer. Sowieso in meervoudsvorm is cameramensen helemaal niet raar, toch?”

 

Mijn conclusie: In officiële zakelijke communicatie, zoals callsheets of vacatures, zouden we wellicht het beste de term ‘camera operator’ kunnen gebruiken. Dat is misschien niet heel Nederlands, maar projectmanager en producer zijn dat ook niet. Een klein probleempje is het dat bij sommige firma’s de functie ‘camera operator’ inmiddels wordt geplakt op een minder ervaren variant van de cameraman en/of -vrouw. Maar is die benaming daarmee definitief vergeven aan de beginnelingen of kunnen we dat nog herstellen?

‘Camerapersoon’ vind ik persoonlijk nogal onpersoonlijk. Het is lelijk bovendien.

Ik ga voorlopig voor ‘camera operator’ in enkelvoud en ‘cameramensen’ in meervoud, als het gaat over personen die dit mooie beroep in algemene zin uitoefenen. Tenzij iemand een beter idee heeft. Zelf ben ik dan vanaf nu ‘camera operator’. En het zal heus hier en daar nog wel eens misgaan. Het kost immers tijd om nieuwe vormen ingeburgerd te krijgen. 




zaterdag 16 juli 2022

Even Apeldoorn bellen...

 

Jules Unlimited was een populair wetenschappelijk programma. Het werd uitgezonden door de VARA tussen 1989 en 2004. Toen ik nog thuis woonde keek ik op zaterdagavond altijd eerst naar Jules voor we op stap gingen. Jan Douwe Kroeske, Pieter Jan Hagens en Mieke van der Weij beleefden de meest bizarre avonturen in verre buitenlanden. Het was het uniek dat er ook met allerlei kleine camera’s werd gefilmd. Je zag point of views van actiescenes zoals je ze nog nooit had gezien. Het programma werd lang voor de uitvinding van de GoPro gemaakt.

Apetrots was ik toen ik voor het eerst zelf voor Jules Unlimited mocht filmen. Ik denk rond 1997. Ik mocht mee met cameraman Wouter Tersteeg naar de draf- en renbaan van Wolvega, waar Jan Douwe Kroeske met een Sulky aan een wedstrijd mee zou doen. Ik zou met een tweede camera extra opnamen maken vanuit de startwagen en kreeg de opdracht mee om veel risico te nemen met mijn shots. Vet close. Hij zag mij liever terugkomen met vier bruikbare shots die stuk voor stuk een negen waard waren dan met tien shots die slechts een mager zesje waren. Ik kreeg van deze leermeester terloops een belangrijke les over scherptediepte en het werken met telelenzen, waar ik tot op de dag van vandaag veel aan heb. Het lukte die avond en ik werd uitgenodigd om vaker voor Jules Unlimited te werken. Voor dat programma maakte ik in de jaren daarna super bijzondere reizen naar Engeland, Frankrijk, Duitsland, Amerika en Zuid-Afrika.

Een van de onderwerpen in Nederland ging over reddingsacties op zee. Ivette Forster werd getraind om een omgeslagen reddingboot weer overeind te krijgen met behulp van een soort airbag. We filmden hiervoor met de KNRM op zee en een dag bij een offshorebedrijf in de Rotterdamse haven. Ze hadden daar een groot overdekt trainingsbassin waar golven, regen en wind werden nagemaakt om oefeningen zo realistisch mogelijk te laten lijken. Voor ons een ideale locatie, want we konden vanaf de kant close opnamen maken en er was zelfs een raam onder water waar we doorheen mochten filmen. Natuurlijk gebruikten we onderwatercamera’s voor het echte ‘Jules-gevoel’.

Van die draaidag kan ik me lang niet meer alles herinneren. Het is meer dan twintig jaar geleden. Ik heb er helaas geen foto’s van. Het was nog in de tijd van de fotorolletjes. 

Wat ik wil vertellen is een verhaal over hoe het mis ging. Nee, er zijn geen gewonden gevallen en er is geen ramp gebeurt, maar een ongeluk zit wel in een klein hoekje. Een simpele actie kan er al voor zorgen dat je voor duizenden euro’s schade aan je broek hebt hangen.

Wat was het geval?

De hal waarin dat bassin was, die was niet super goed verlicht. De camera’s waren rond het jaar 2000 nog een stuk minder lichtgevoelig dan de camera’s die we nu voor zo’n spraakmakend programma zouden gebruiken. Daarom hadden we grote lampen bij ons. Een van die lampen, een grote HMI daglichtlamp, zette ik in de kelder, bij het raam waardoor je onderwater kon kijken. Zo kregen we een mooie baan licht onderwater.

De hele dag hebben we gefilmd en ik meen me te herinneren dat ik in de loop van de dag nog een keer bij die lamp ben geweest om hem iets te verplaatsen. Na afloop van de opnamen kwam ik beneden om de lamp op te ruimen en bleek dat een van de grote zwarte kleppen (barndoors) tegen het glas stond. Iemand had de lamp gedraaid of verplaatst. Dit had niet zomaar kunnen gebeuren door er even tegenaan te lopen. De klep was in de loop van de dag behoorlijk heet geworden en het temperatuurverschil had gezorgd voor een enorme barst in de ruit…

Je kent de reclame van de Gouden Gids vast nog waarin een schoonmaker tijdens een dansje met de steel van zijn mop tegen het raam van een zeeaquarium stoot. Nou, zo voelde ik me op dat moment ook. Het was geen krasje waarvan je zou kunnen denken ‘ik zeg niks…’ 

Foutje bedankt!

Het werd geen gezellig afscheid die dag. Gelukkig was ik op dat moment in vaste dienst bij het NOB en die hebben het met de verzekering opgelost. Ik heb begrepen dat het een bedrag was van rond de 7.000 gulden en dat viel mij eerlijk gezegd nog mee. Om te beginnen moest het halve bassin leeggepompt worden. Duizenden liters water. Verschillende trainingsdagen werden geannuleerd. En vervolgens moest er een nieuwe ruit op maat gemaakt worden. Dat is geen enkel glas…

Het is een van de draaidagen waarop ik het minst trots ben, hoewel ik zelf nog steeds betwijfel of ik degene was die deze lamp daadwerkelijk tegen de ruit heeft gezet. Ik was sowieso verantwoordelijk en het was mijn idee om hem daar neer te zetten. Niet goed genoeg over nagedacht. Zo is een dure fout snel gemaakt.