Posts tonen met het label uit de oude doos. Alle posts tonen
Posts tonen met het label uit de oude doos. Alle posts tonen

maandag 18 mei 2026

VKG 75 jaar

 

Ik was een heimweewelp. Vlak voor mijn tweede zomerkamp brak ik mijn pols, waardoor ik niet aan alle activiteiten kon meedoen. Het moet ergens rond 1980 zijn geweest. De lieve leidsters van Scouting Verkenners Kluis Geleen deden hun uiterste best om het mij naar de zin te maken, maar ze konden niet voorkomen dat ik het liefst naar huis wilde. Ik was zo verdrietig dat ze uiteindelijk mijn ouders belden met het verzoek om mij op te halen. Een jaar later was er niets aan de hand, maar had ik opnieuw weinig zin om vijf dagen op kamp te zijn. Liever speelde ik thuis met Playmobil en Lego. Dus trok ik me terug, vond mezelf extreem zielig en jammerde ik net zolang tot de leidsters opnieuw besloten om mijn moeder te bellen. Die vond dat ik het nog even moest proberen, maar daar had deze eigenwijze welp geen zin in. Nog dezelfde avond werd ik toch voor de tweede keer opgehaald. Eenmaal thuis was alles koek en ei.

Dit wil helemaal niet zeggen dat ik het niet naar mijn zin had bij de Scouting. Ik ging op zaterdag met veel plezier naar de Welpen en later naar de Verkenners. Bosspellen, pionieren met balken en touw, vlotten maken, leren kaartlezen, vossenjachten of speurtochten; ik vond het allemaal leuk en eerlijk gezegd heb ik er ook veel van geleerd. Nog steeds denk ik ‘links over rechts en rechts over links’ als ik ergens een platte knoop in wil leggen. In mijn werk gebruik ik zelfs af en toe de mastworp of de paalsteek. Ik kan makkelijk een fikkie stoken en toen mijn kinderen op de basisschool zaten was ik de meest populaire vader op het moment dat er, tijdens het schoolkamp, hutten gebouwd werden.

Over het algemeen heb ik dus goede herinneringen aan mijn tijd bij de padvinders. De zogenaamde ‘vaderzoon weekenden’ waren heel bijzonder en hebben ervoor gezorgd dat ik heel anders tegen mijn eigen vader en de vaders van mijn vriendjes aan ben gaan kijken. Bij allemaal volwassen mannen, die normaal gesproken altijd met een stropdas om hun nek liepen, kwam ook opeens weer het boefje bovendrijven. Dat maakte op ons als kinderen veel indruk.

Deze week bestaat Scoutinggroep VKG  75 jaar. Afgelopen zaterdag was er een reünie voor oud leden. Op aandringen van mijn zus, die veel langer lid is geweest dan ik, ben ik daar naartoe gegaan. Voor het eerst sinds mijn laatste gesprek met de hopman, waarin ik aankondigde dat ik ermee wilde stoppen, kwam ik terug bij het HK (hoofdkwartier) aan de Lijsterstraat in Geleen. Daar zat veertig jaar tussen. De hopman, die nog gezegd had dat ik altijd terug mocht komen, was er ook. Erik was er. Ben, Mark, Berrie, Rico, Jules en Ilona. Hanny en Marinja. Het was erg grappig om al die mensen na zoveel jaar weer te zien. 

We waren allemaal ouder geworden. De een wat meer dan de ander, maar eigenlijk leek er niet zoveel te zijn veranderd. Dat gebouw rook nog hetzelfde. In het materiaalhok lagen de palen, stonden de petroleumlampen en ik zag de plastic borden waar we op kamp uit aten. Op een tafel lagen de stickertjes die we tijdens Heitje voor een Karweitje bij mensen naast de deurbel plakten als we een klusje voor ze hadden mogen doen. Op grote stapels lagen álle logboeken, waar we om beurten een verslagje in moesten schrijven van de activiteiten die we gedaan hadden. Helaas had ik niet de tijd en rust om een eigen schrijfsel uit die jaren terug te vinden.

Het was een bijzondere avond met mooie verhalen. Het is grappig hoe iedereen zijn eigen momenten onthouden heeft of een geheel eigen draai aan een bijzondere gebeurtenis heeft gegeven. Er waren genoeg ‘oh ja’ momenten. Zo wisten de leidsters uit mijn tijd (Jofie en Marlies) direct weer van mijn heimwee toen ik mezelf voorstelde. Zij vertelden later op de avond over een Bokkenrijderskamp waar ik wel van begin tot het eind bij geweest ben. Hoe heftig sommige spellen waren, met een verrader die we in het pikkedonker de hand moesten schudden en die aan het eind van het kamp opgeknoopt werd. Toen ze het vertelden ging er ook bij mij weer een lichtje branden. Ik kreeg zelfs zin om weer ouderwets op zomerkamp te gaan. Die heimwee is inmiddels wel overgewaaid. Tegenwoordig kan ik heel goed langere tijd van huis zijn. 

Op mijn veertiende ontdekte ik de lokale omroep en moest ik kiezen of ik op zaterdagmiddag hutten wilde bouwen of met televisiecamera’s ging experimenteren. Terugkijkend denk ik dat ik toen wel de juiste keuze heb gemaakt, maar ik snap ook heel goed dat veel van mijn leeftijdsgenoten nog lang bij de VKG zijn gebleven.




vrijdag 6 februari 2026

Olympisch spelen

 

Mijn eerste buitenlandse reis zonder ouders maakte ik op mijn zeventiende. Als vrijwilliger bij Lokale Omroep START in Geleen mocht ik, in de zomer van 1989, naar het Italiaanse Alba. Daar deden we verslag van een Jeugdolympiade. Meer dan tweehonderd Limburgse sporters namen het vier dagen lang op tegen jongeren uit negen verschillende zustersteden. Wij maakten een reportage van een uur met onze loodzware semi-professionele video-apparatuur. 

Een camera met een losse U-Matic recorder, waar videobanden in moesten die zo groot waren als een broodtrommel. Daar kon je dan maximaal 20 minuten mee opnemen. Als de koppen van de recorder niet goed schoon waren, of de bandjes meer dan twee keer hergebruikt, kreeg je spetters en strepen in beeld. Drop-outs, noemden we die. De eerste minuut van het bandje mocht je nooit gebruiken wegens aanloopproblemen, dus daarvoor namen we altijd eerst een testbeeld op. De batterijen voor deze set waren verpakt in een soort bomgordel, die je om je middel moest binden of als een Rambo over je schouder kon hangen. Heel ongemakkelijk. Onze uitdaging zat hem meer in het aan de praat houden van de spullen en zuinig zijn met accu’s, dan in het maken van mooie beelden.

De apparatuur was lomp en niet zo betrouwbaar, maar het was wel nog de tijd dat televisiecamera’s statusverhogend werkten. Niet alleen onze publiciteitsgeile burgemeester, die de hele tijd aan me vroeg of zijn haar nog goed zat, reageerde áltijd enthousiast als wij ergens binnenkwamen. Maanden, misschien wel jaren na die trip kreeg ik in het Geleense uitgaanscircuit nog aandacht van de leukste en mooiste handbal- en hockeymeisjes, die mij allemaal kenden uit Alba. Zo ontdekte ik dat cameraman een ontzettend stoer beroep is.

Je begrijpt dat de belevenissen in Alba voor mij dierbare herinneringen zijn. Met veel plezier blader ik nog wel eens in het oude plakboek. Het liefst zou ik de tijd terugdraaien naar juli ‘89, maar bij gebrek aan bodywarmer, skateboard, DeLorean en Dr. Emmett Brown moet ik het op een andere manier oplossen. Daarom ben ik extra blij dat ik nu, 36 jaar later, door Broadcast Rental en de NOS gevraagd ben om mee te gaan naar de echte Olympische Spelen in Italië. Er is in al die jaren op technisch vlak een hele hoop veranderd en ook ikzelf ben al lang niet meer het magere ‘menneke’ met weelderige haardos. Toch zijn er ook nog steeds overeenkomsten. Bijvoorbeeld dat camerawerk het allerleukste blijft wat er is. Zeker als je bij dit soort evenementen overal vooraan mag staan.

De afgelopen dagen hebben we alles opgebouwd en getest. Vanavond beginnen de Olymische Winterspelen van Milaan Cortina 2026 met een spectaculaire openingsceremonie, die live te volgen is bij de NOS. Daarna kan je onze eerste bijdrage zien vanuit de kleine studio naast het TeamNL Huis. Wij zijn er klaar voor! 


 



donderdag 6 november 2025

7 november 1975 - de Ramp bij DSM

  

In de muurkast op de werkkamer van mijn vader lag, naast de postzegelverzameling en oude Super8 filmpjes, een geluidsband in een grijze plastic box. Op deze Agfa Magnetonband had hij met een lettertang de tekst ‘1 RAMP DSM’ geplakt. Ergens wist ik van het bestaan van deze spoel, want als kind neusde ik graag in zijn spullen. Het was dan ook een klein ‘oh ja’-moment toen ik die band aantrof na het overlijden van mijn vader. Het is een van de dingen die ik niet zomaar weg kon doen en uiteindelijk heb meegenomen. 

Een jaar heeft de band op mijn bureau gelegen. Ik wilde er iets mee doen, al wist ik niet goed wat. Afspelen kon ik hem niet, want ik had geen bandrecorder.

Ramp DSM’ sloeg op de explosie van een Naftakraker bij het bedrijf Polychem tussen Geleen en Beek, dat wist ik wel. Na wat zoeken op internet ontdekte ik dat op 7 november 1975, rond tien voor tien in de ochtend, tijdens het opstarten van de NAK2, een leiding scheurde en zeer brandbaar gas ontsnapte onder hoge druk. De wind voerde dit gas langs hete ovens en zo ontstond een gigantische ontploffing. In de hele installatie ontstonden hevige branden. Twee benzinetanks, elk met een inhoud van vijf miljoen liter, vlogen in brand. Bij deze ramp kwamen veertien medewerkers om het leven. De totale schade werd uiteindelijk geschat op meer dan 100 miljoen gulden.

Wij woonden in Geleen, dicht bij de plek van de ramp. Hemelsbreed ongeveer 2,5 kilometer. Ik was zelf in 1975 slechts drie jaar oud, maar toch heb ik vage herinneringen aan deze dag. Ik speelde buiten en onze hulp in huis was de ramen aan het lappen op het moment van de klap. De deun was gigantisch. De poetshulp lazerde van schrik van haar keukentrapje. Ik weet dat we om de hoek, in de Bachstraat, zijn gaan kijken. Daar waren de voorruiten van alle huizen gesprongen door de gigantische luchtdruk die de explosie had veroorzaakt.

 

Een paar maanden geleden zat L1 presentator, cultuurredacteur en archivaris Tom Doesborg in de radiostudio om een mooi verhaal te vertellen over een oude opname die ze hadden gedigitaliseerd en waarop je een bekende Limburgse artiest uit de jaren vijftig kon horen. Het moest kennelijk zo zijn dat ik precies op dat moment zapte langs de regionale zender. Het gesprek triggerde mij direct en nog tijdens die uitzending heb ik Tom een bericht gestuurd over de band die op mijn bureau lag.

 

Mijn vader werkte zijn hele werkzame leven op een school in Geleen. Wat hij die dag in 1975 precies had opgenomen was mij een raadsel. Zouden ze een opname in de school gemaakt hebben? Waren ook daar de ruiten gesprongen? Had mijn vader zelf voor journalistje gespeeld? Ergens las ik dat alle scholen in Geleen en omstreken voor de rest van die dag gesloten waren. Had hij dan misschien toch bij ons thuis audio-opnamen gemaakt? 

 

Ik mocht de band opsturen naar L1, waar Tom Doesborg zich er hoogstpersoonlijk over zou bekommeren. Ik waarschuwde hem nog dat er inmiddels ook muziek van James Last, Abba en The Carpenters op zou kunnen staan. Of iets van het Geleens Mannenkoor Mignon, maar al een paar dagen later stuurde Tom mij via de mail een link naar de gedigitaliseerde opnamen op de geluidsband van mijn vader.

 

“De politie heeft het verkeersplein Kerensheide bij Geleen voor het verkeer afgesloten. Het verkeer in beide richtingen moet rekening houden met omleidingen. De politie verwacht dat het verkeersplein weer vrijgegeven zou kunnen worden en dat wijst er misschien op dat het toch niet zo rampzalig is als tegen tien uur vanmorgen werd verwacht. Gelukkig valt het mee.”

 

Daarmee begint de opname. Gelijk wordt duidelijk dat mijn vader op 7 november 1975 het radionieuws heeft opgenomen. Alle opnamen bij elkaar duren ongeveer veertig minuten. Het zijn telkens nieuwe bulletins die je hoort. Het begint ergens aan het eind van de ochtend, ik gok om twaalf uur, en het laatste fragment is rond middernacht opgenomen. Waarschijnlijk heeft hij afgestemd op Hilversum 3, de FM-zender waar ‘s avonds ook de programma’s van Regionale Omroep Zuid op te horen waren.

 

Om een uur ’s middags meldt de radionieuwsdienst van het ANP:

 

Een woordvoerder van DSM heeft meegedeeld dat er op het ogenblik geen aanwijzingen zijn dat er doden zijn. Wel zijn er veel gewonden, maar in de meeste gevallen zijn het lichte verwondingen als gevolg van rondspringende glasscherven. Er wordt een telling van het personeel gehouden, die nog niet is voltooid. Tot voor kort hadden negen mensen zich nog niet gemeld.”

 

Drie uur na de explosie is niet helder of er doden zijn te betreuren en hoeveel gewonden er zijn. Op de radio wordt wel al besproken dat Limburg niet op de paniek na een explosie zou zijn voorbereid. Er is in deze regio met zware chemische industrie geen rampenplan. Uit de berichten blijkt dat het chaos is in de hele omgeving van de explosie. Een groot winkelcentrum in Beek is ontruimd en bij een paar flatgebouwen in Beek zijn alle ramen gesneuveld. In Geleen, dat het dichtst bij de rampplek ligt is de schade niet te overzien. De communicatie tussen politie, overheid en DSM wordt slecht genoemd. DSM is telefonisch niet te bereiken, omdat het telefoonverkeer in de hele Westelijke Mijnstreek plat ligt. Hierdoor weet zelfs de Rijkspolitie niet goed wat er aan de hand is en hoe te handelen. De BB (Bescherming Bevolking) is paraat, maar wordt niet ingezet.

 

Het volgende nieuwsbericht is van twee uur. Dan meldt de nieuwslezer van het ANP :

 

De directie van DSM houdt er ernstig rekening mee dat bij de explosie van vanmorgen in het DSM-bedrijf Polychem in Beek doden zijn gevallen. Zekerheid daarover bestaat nog steeds niet. In het ziekenhuis in Geleen waren tegen het middaguur negentien gewonden binnengebracht. Enkele van hen verkeerden volgens een zegsman van het ziekenhuis in levensgevaar. 

Bij Polychem in Beek werken ongeveer drieduizend mensen. Hoeveel van hen in de buurt waren van de ontplofte NAFTA-kraker is niet bekend. Volgens een DSM-woordvoerder kunnen het er niet veel geweest zijn, omdat de kraker volledig is geautomatiseerd. Rond het middaguur werden nog vijftien mensen vermist. DSM probeert deze werknemers, die weggelopen kunnen zijn, op te sporen.

De brand is onder controle en er bestaat geen gevaar meer, aldus de voorlichtingsdienst van DSM.

 

Pas om drie uur, vijf uur na de ramp, is er sprake van één dodelijk slachtoffer.

 

… De voorlichtingsdienst van het bedrijf heeft zojuist bekendgemaakt dat één dode is geborgen. Eerder was de vrees uitgesproken dat verschillende mensen bij de explosie van de NAFTA-kraker om het leven zijn gekomen. De familieleden van de vermisten en de gewonden worden door het bedrijf op de hoogte gehouden. Telefonisch contact met DSM is onmogelijk. Alle lijnen zijn geblokkeerd.

Op een persconferentie van DSM zijn nadere mededelingen gedaan over de toedracht van het ongeluk. Uit de NAFTA-kraker is gas ontsnapt dat daarna ontbrandde en explodeerde. Twee benzinetanks, elk met een inhoud van vijf miljoen liter, vlogen ook in brand. Twee andere even grote tanks werden wel beschadigd, maar kwamen niet tot ontbranding. Het vuur wordt bestreden door de DSM-bedrijfsbrandweer en de korpsen van Kerkrade, Heerlen en Eindhoven. De brand is geïsoleerd, nog onmogelijk te benaderen, maar wel onder controle.

 

Om vijf uur ’s middags is er voor het eerst sprake van dat de explosie aan zeker vier mensen het leven heeft gekost. Op dat moment worden nog steeds elf medewerkers vermist. Ook om zes uur is dit aantal ongewijzigd. In dit nieuwsbulletin wordt vermeld dat het vuur in de brandende Naftatanks zich opnieuw aan het uitbreiden is. 

 

De twee tanks die gevuld waren met een buffervoerraad Nafta branden nog. Zojuist werd bekend dat een van de twee tanks is gescheurd, waarbij zich nieuwe ontploffingen hebben voorgedaan. Dat betekent dat de persconferentie, die om 7 uur gehouden zou worden, vlakbij de plaats waar de brand vanmorgen is uitgebroken na de explosie, dat die persconferentie in de haast verlegd zal moeten worden naar een ander gedeelte van het DSM-complex, namelijk naar het Centraal Laboratorium in Geleen. De kans bestaat ook, maar die berichten heb ik nog niet bevestigd gekregen, dat een gedeelte van de gemeente Beek geëvacueerd zal moeten worden, binnen nu en enkele uren. Er zouden nu vier nafta-tanks branden. Brandweer en ambulances zijn weer opgeroepen.

 

Na het ANP Radionieuws van half zeven ’s avonds begint de dagelijkse uitzending van de ROZ (Radio Omroep Zuid) vanuit Maastricht. Het programma staat in zijn geheel in het teken van de ramp bij DSM. Zij melden direct dat de ramp aan zeker negen personen het leven heeft gekost en dat er nog vijf mensen worden vermist. Van de meer dan zestig gewonden verblijven er op dat moment ongeveer twintig in ziekenhuizen in Geleen, Sittard en Brunssum. Volgens de ROZ is de situatie op het terrein van DSM nog steeds onoverzichtelijk. De brandweer kan niets doen en heeft zich teruggetrokken.

 

Rond middernacht is er sprake van twaalf doden, waarvan de lichamen zijn geborgen en er zijn nog steeds twee personen vermist. Dan hoor je op de opname het Nederlands volkslied. Daarna komt Premier Den Uyl aan het woord die bevraagd wordt over het falende rampenplan, maar volgens zijn informatie (de ministers Lubbers en Boersma hebben die middag een bezoek gebracht aan de rampplek) heeft het rampenplan van de Staatsmijnen wél gefunctioneerd. De presentator zegt dat luisteraars de hele nacht via Hilversum 3 op de hoogte worden gehouden, maar de opname stopt op dat moment.

 

Radio was in die tijd het snelste medium en dus de belangrijkste bron van informatie bij rampen als deze. De opnamen van mijn vader zijn in mijn ogen interessant, omdat je zo terug hoort hoe het nieuws zich in de loop van die dag ontwikkelde. Zeker als je het met onze tijd vergelijkt kwam de informatiestroom in 1975 buitengewoon langzaam op gang en was de communicatie naar met name de burgers in de omgeving van de ramp zeer beperkt. Rampenplannen waren er niet of nauwelijks, ondanks het feit dat die zware petrochemische industrie zo dicht bij woonwijken was gevestigd.

Zelf heb ik de eerste twintig jaar van mijn leven in de buurt van DSM gewoond en dat heb ik altijd wel een beetje spannend gevonden. Hoe klein ik ook was, die ramp heeft zeker indruk op mij gemaakt. Zelfs vijftig jaar later vind ik het nog steeds indrukwekkend als ik over Knooppunt Kerensheide van de A2 naar de A76 in de richting van Geleen langs de fabrieken van Chemelot rijd. Ik kom daar regelmatig en moet dan vaak aan de ramp in 1975 denken. Deze week dus 50 jaar geleden…



Ik hoorde van Tom Doesborg dat L1 Radio op vrijdag 7 november 2025 tussen 09.45 en 13.00 uur fragmenten gaat uitzenden van de opname die mijn vader heeft gemaakt. Dat vind ik echt super. En daar zou mijn vader ook trots op zijn geweest.

 




(ikzelf in 1975, toevallig is deze foto ook genomen, ongeveer op de plek waar ik was toen we de explosie hoorden)


 

 

 

maandag 3 november 2025

VARA 100 jaar - Jules Unlimited

  

De VARA bestaat 100 jaar en dat mag wat mij betreft gevierd worden. Deze omroep heeft mij heel wat geweldige avonturen laten beleven. Voor programma’s als De Wereld van Boudewijn Büch, De Ontdekking en Jules Unlimited heb ik de mooiste reizen mogen maken. Ik moest deze week gelijk denken aan de jubileumaflevering van Jules Unlimited, die ik vijfentwintig jaar geleden mocht opnemen ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de omroep. 

We waren ruim twee weken in Zuid Afrika om drie onderwerpen te draaien voor een extra lange aflevering van het populairwetenschappelijk programma, waarin presentatoren altijd een actieve rol hadden. Met Yvette Forster maakten we een reportage over spoorzoeken en in het bijzonder de sporen van de neushoorn, Paul Luycx ging op pad met echte wildlife-filmers en Menno Bentveld volgde een olifantenverplaatsing. Het werd uiteindelijk een van de meest spectaculaire reizen die ik ooit gemaakt heb en waar ik nog heel vaak met veel plezier aan terug denk. Niet in de laatste plaats, omdat ik deze reis werkte met Cor Brinkman, mijn favoriete geluidsman die helaas in 2016 is overleden.

In 2000 had ik nog geen weblog, maar hield ik wel een dagboek bij. Dat heb ik speciaal voor deze gelegenheid eens even afgestoft en teruggelezen. Voor wie het leuk vindt heb ik er twee dagen uitgepikt:

  

woensdag 11 oktober 2000      Skukuza, Kruger National Park

Voor het derde onderwerp in de jubileumuitzending van Jules Unlimited volgen we wildlife filmer Jacques. Achter elkaar lopen we door het ruige landschap van Kruger Park. Een gewapende Ranger gaat voorop, dan volgt Jaques met zijn camera in de aanslag, daarachter zijn geluidsman en onze presentator Paul is de vierde in het rijtje. Hij draagt het zware statief van Jaques op zijn nek. Ik film de vier mannen en zit vast aan mijn geluidsman Cor, die weer op de voet wordt gevolgd door Jules-regisseur Richard. Hij moet onze rugzak en mijn statief tillen. Helemaal achteraan loopt er weer een gewapende Ranger. Niemand zegt iets. We zijn op zoek naar leeuwen.

De lucht is grauw, het ziet er naar uit dat het ieder moment kan gaan regenen. De temperatuur is een stuk aangenamer dan gisteren, maar er staat ook een gemeen windje. De struiken en boompjes zijn voor een deel aangetast door een bosbrand. Mijn broek is smerig en krijgt zwarte camouflagestrepen van de verkoolde takken. 

We wandelen al een klein half uur tegen de wind in. Het is heel bijzonder dat we door het wildpark lopen. Toeristen mogen niet zomaar uit hun auto’s komen. De Rangers hebben uitgelegd dat we niet in paniek moeten raken als we plotseling oog in oog komen te staan met een leeuw of ander wild dier. Stil blijven staan en het beest recht aan blijven kijken is de beste manier om niet aangevallen te worden. Als je in paniek raakt en het op een lopen zet word je een prooi. 

Jaques en Paul weten een plek te vinden waar jonge leeuwtjes zitten. Het is alleen de vraag of de welpen thuis zijn en of de ouders in de buurt zijn. We doen uiterst voorzichtig. Opeens stoppen we. Jaques wijst ons op twee neushoorns die verderop tussen de struiken staan. Ze zijn veel dichterbij dan de neushoorn die we een paar dagen geleden filmden in het Karoo National Park. Het is een beetje maf, maar het heeft geen zin om deze te filmen, omdat we juist een heel onderwerp gaan besteden aan de moeilijke zoektocht naar neushoorns. Het is wel heel vreemd als je bij een ander onderwerp, in dezelfde uitzending, zomaar voorbij deze beesten loopt. Dus lopen we stilletjes verder. Opletten dat de neushoorns ons niet in de gaten krijgen.

We komen bij een rots die me doet denken aan Disney’s Lion King of Het Junglebook. Het is jammer voor het beeld dat de zon niet schijnt. We beklimmen de rots en zien bovenop een plek met gras waar leeuwen gelegen moeten hebben. Er is een stapel stenen en als we daaronder kijken zien we vier bange welpjes van nog geen maand oud. Jaques gaat ze gelijk filmen en ik film hem. Het is super spannend, omdat we de volwassen leeuwen nergens kunnen bekennen. De twee Rangers staan met hun jachtgeweer in de aanslag voor het geval dat we opeens worden aangevallen. Ik vraag me af wie banger is; de welpen voor ons of wij voor moeder leeuwin.

We draaien een scene met Paul en hij mag van Jaques door zijn zoeker kijken. Het wordt spannende televisie. Richard is erg blij, omdat ook zijn tweede onderwerp een bijzonder eind zal krijgen. Het gaat ons wat dat betreft erg voor de wind.

Ik maak twee foto’s. Een keer zonder flitsen en een keer met. Dan laten we de arme beestjes met rust. Oplettend lopen we terug naar de auto’s. De volwassen leeuwen komen we gelukkig niet tegen. Wel film ik nog een paar giraffes en we draaien een scene bij de jeeps. 

 

zaterdag 14 oktober 2000                    middle of nowhere, Kurger National Park

We gaan kamperen met de wildlife filmers van Sanhu. Een kilometer of zeventig van Skukuza wordt een kamp opgeslagen met vier caravans en drie tentjes. We hebben de beschikking over vier open terreinwagens en een busje. De caravans worden in een halve cirkel geplaatst zodat we maar een kant in de gaten hoeven te houden. In het midden van ons kamp wordt een groot vuur gestookt. Hier zitten we midden in de wildernis met alleen de bescherming van Ranger Ed, maar die is zo moe dat ik hoop dat de leeuwen en hyena’s vanavond een snipperdag nemen. 

Er wordt ons op het hart gedrukt om bijzonder voorzichtig te zijn. Na zonsondergang mogen we niet gaan plassen zonder begeleiding van Ed met zijn gevaarlijke geweer. Cor en ik slapen samen in een caravan, Richard en Julia moeten een andere caravan delen, maar Paul slaapt met Jaques in een tentje. Ik ben niet jaloers op onze presentator als Jaques hem vertelt dat hij niet met zijn hoofd tegen het tentdoek mag gaan liggen, omdat beesten daar misschien in kunnen bijten.

Ik merk dat ik ook moe ben van alle avonturen de afgelopen dagen. Bovendien heb ik nog steeds last van een oorontsteking die ik in de eerste dagen van deze reis heb opgelopen. Hierdoor kan ik het even niet meer opbrengen om enthousiast te zijn en als het tegenzit met de presentaties van Paul raak ik te snel geirriteerd. Ook de opgewektheid van Richard, zijn engelengeduld, fanatisme en doorzettingsvermogen schieten bij mij -geheel ten onrechte- in het verkeerde keelgat. Gelukkig hebben Richard en ik tijdens het eten bij het kampvuur een goed gesprek. We spreken de kleine ergernissen uit. Ik moet toegeven dat een beetje meer begrip wonderen doet. Ik kan mezelf dan wel ziekig en zielig voelen, hij heeft natuurlijk een belangrijke en ingewikkelde klus te klaren. Ik neem me voor om de komende uren weer vol overgave voor het volgende avontuur te gaan.

Tegen tien uur in de avond rijden we met drie terreinwagens achter elkaar door het bos. Het is stikdonker. Wij rijden in de oudste Jeep, omdat deze toch niet in beeld zal komen. Het is er eentje die al lang geleden vervangen is door een nieuwe Toyota pick-up. Richard bestuurt onze veertig jaar oude Range Rover tot deze afslaat. Cor en ik voelen ons niet op ons gemak en vragen of iemand anders het stuur van de pruttelkar over wil nemen. Iemand die meer gewend is om in dit terrein en deze auto in het bijzonder te rijden.

Opeens stopt de jeep van Jaques voor ons. Ze schijnen met een grote filmlamp over het pad. 

“Sssssst, er lopen leeuwen!” 

Eerst zie ik er twee, dan drie… Vier, vijf, zes, zeven. Ze komen recht op ons af. Acht, negen !!! De leeuwen sjokken heel rustig in onze richting en gaan aan de kant van de weg in het gras liggen. Ik sta achter op de open jeep en vraag me af of dit leuk is. Zeven vrouwtjes en twee mannetjes op een metertje of vier van mijn camera. Een keer springen voor zo’n volwassen leeuw en ik heb hem op schoot. Of hij mij.

De filmers zeggen dat deze leeuwen rustig en totaal niet agressief zijn. We hoeven ons geen zorgen te maken. Als we maar met de lampen blijven schijnen, want dan kunnen ze ons niet goed zien. De jeeps worden zo geplaatst dat we met drie camera’s opnamen kunnen maken. Jaques zit met Paul in een jeep. Ze staan het dichtst bij de beesten. Wij rijden een stukje verder om de link te kunnen leggen tussen de wilde dieren en de filmploeg. Als we in het gras naast de weg staan slaat de oude Range Rover opnieuw af. Deze keer vind ik dat helemaal niet leuk. Er is iets mis met de accu. Uitgerekend hier en nu.

Het luide gebrul van de leeuwen gaat door merg en been. Goed geluid, maar wel doodeng. We filmen de leeuwen vanuit alle hoeken. Als een vrouwtje op twee meter langs de wagen van Jaques loopt is het weer even echt spannend, maar na een tijdje merk ik dat ik het normaal begin te vinden. Ed zit achter me en schijnt met een grote lamp op de dieren. Zijn geweer ligt op de grond van de pick-up. Jaques heeft al lang niet meer zoveel leeuwen bij elkaar gezien en nog nooit heeft hij een brullende leeuw van zo dichtbij kunnen filmen. Zijn geluidsman noemt dit belangrijk materiaal voor het Sanhu-archief. Wij realiseren ons dat we alle mazzel van de wereld hebben. 

 

Het duurt ongeveer een uur. Dan lopen de leeuwen eindelijk verder. We verliezen ze uit het oog. Even is dat weer spannend, want ze kunnen nu op ons loeren. Dus wachten we een tijdje voor we naar het kamp terugkeren. Daar reageren we allemaal bijzonder blij en uitgelaten. Het was een fantastische avond. Super spannend, maar zeer de moeite waard. Dit zullen we nooit meer vergeten.












dinsdag 11 februari 2025

helikopter

 

Een verhaal uit de oude doos. Ik neem jullie mee terug naar woensdag 14 november 2001. We waren in de omgeving van het plaatsje Moûtiers in de Franse Alpen, waar het bouwbedrijf Ei Montagne druk in de weer was met een zogenaamde ‘bergwandrenovatie’. Loshangende rotsblokken werden verwijderd en netten van staal over de bergwand gespannen, zodat er geen grote stenen meer op de weg zouden kunnen vallen. Daarover maakten wij een item voor het populairwetenschappelijk VARA-programma Jules Unlimited

Presentator Menno Bentveld zou meehelpen, want de presentatoren van Jules Unlimited hadden altijd een actieve rol. Dat was een belangrijk onderdeel van het format. In een klimtuig aan de bergwand moest Menno enorme pinnen in het steen boren, waaraan ze de zware netten konden bevestigen. Die werden op een rol aangevoerd door een helikopter. Het zag er allemaal behoorlijk spectaculair uit.

De meeste werknemers van Ei Montagne waren stoere, stoffige Algerijnen die handig klommen met drilboren en dikke staalkabels. Zij deden precies wat voorman Phillippe ze opdroeg. Dat was daar de enige vriendelijke Fransman en ook nog eentje die Engels sprak. Hij gaf Menno en mij nog ‘even’ klim- en abseilinstructie voor we konden beginnen aan deze draaidag. De voorman wilde immers zeker weten dat wij ons veilig konden verplaatsen langs de rotswanden. Ik vond het wel prettig om mijn klimtechniek even op te frissen, maar toen we langer dan een uur bezig waren werd het zonde van alle tijd en mijn energie. We moesten helemaal naar de top en terug. 

In de ochtend draaiden we geen enkel shot en waren mijn armen en benen al behoorlijk verzuurd. Daarna liepen we met onze zware filmapparatuur langs de minst steile kant van de helling naar boven. Mijn uithoudingsvermogen werd opnieuw op de proef gesteld. Totaal buitenadem kwam ik op het plateau. Mijn hart bonkte in mijn keel, maar tijd om even uit te blazen hadden we niet. Ze stonden op ons te wachten. We moesten gelijk beginnen met de opnamen. De scène ging over een grote boor die met kabels en touwen aan de steile wand hing. Menno daalde abseilend af naar het apparaat en met de camera op mijn schouder deed ik hetzelfde. Ik probeerde zo dicht mogelijk bij Menno in de buurt te blijven om de actie zo close mogelijk in beeld te krijgen. Het abseilen was voor mij geen probleem, maar het werd behoorlijk pittig toen ik weer terug naar boven moest klauteren. Dat koste veel kracht, omdat ik niet de handigheid had van een ervaren klimmer.

Producer Julia had geregeld dat we voor het donker een paar essentiële shots vanuit de helikopter mochten maken. Die had even daarvoor nog een groot net opgepikt, naar boven gebracht en voorzichtig laten afrollen. Menno, die aan de wand hing was het net met een paar Algerijnen aan het bevestigen. Deze actie zou ik ook vanuit de lucht kunnen vastleggen. Zo’n overzichtsshot zou het hele beeldverhaal duidelijker maken en het item een stuk spannender. Het was immers lang voor de introductie van kleine drones in de televisie-industrie.

We moesten hollen. Julia ging met me mee. De vriendelijke piloot had de zijdeur al uit de helikopter gehaald, zodat ik door een grote opening kon filmen. De rotoren draaien al. Eerst klom Julia op de achterbank en daarna ik met mijn camera. Snel zette ik de headset op waarmee ik in principe met de piloot zou kunnen communiceren. Als hij beter Engels sprak of ik beter Frans, dan had dat zeker tot de mogelijkheden behoort. Nu wees ik een beetje met mijn handen en riep ik ‘left’, ‘right’, ‘higher’ en vooral ‘lower’.

Vliegen kon de piloot wel. We draaiden rondjes rond de bergwand en ik kreeg optimaal de gelegenheid om te filmen wat Menno aan het doen was. Een been bungelde uit het gat van de deur. Zo zat ik een beetje gedraaid, om optimaal gebruik te kunnen maken van de ruimte die ik had. Als we voorbij de plek waar het allemaal gebeurde waren, dan draaide de piloot een krap rondje, waardoor de heli kantelde en ik me even goed moest vasthouden. Voor mensen met hoogtevrees zou deze positie absoluut een ‘no-go’ zijn, maar ik voelde geen seconde angst. Sterker nog, ik vond het wel stoer. De manoeuvres konden wat mij betreft niet spectaculair genoeg zijn. Het werkte heel goed om laag en super dicht bij de bergwand te hangen en dan opeens snel weg te vliegen, zodat het beeld van redelijk close naar heel ruim ging, zonder dat ik daar als cameraman veel aan hoefde te doen. 

Na een minuut of twintig hadden we het wel. De helikopter landde bovenop het plateau waar we ook waren ingestapt. Als wij snel konden uitstappen, dan kon hij nog één net verplaatsen voor het te donker zou zijn. En wij moesten met onze equipment nog lopend terug naar het dal. Dus spong ik als een jonge hinde uit de heli. Zo ontdekte ik pas dat ik al de hele vlucht geen riem om had. Ik had los op de achterbank gezeten… in een open gat, zonder deur. Kennelijk was ik in de haast en misschien door vermoeidheid, totaal vergeten om me te zekeren. 




vrijdag 4 oktober 2024

50 jaar lokale omroep

 



 

Deze foto is genomen in augustus 1988, bij het Drumbandtreffen in Geleen. De camera’s van lokale omroep START stonden opgesteld in de Groenstraat, voor de deur van de Hanenhof. Zo konden ze, met camerakabels die slechts 25 meter lang waren, vanuit de vaste regie in de kelder van het cultureel centrum, een live-uitzending van de voorbijtrekkende fanfares verzorgen. De vrijwilligers hadden in die dagen slechts twee van deze Sony DXC-3000 camera’s tot hun beschikking. Eentje liep, voor zover de kabel het toeliet, op straat en de andere stond vast tussen het publiek naast de hoofdtribune. 

De knappe cameraman in kwestie was op dat moment net 16 jaar oud. Zijn eerste vriendinnetje had het net een paar dagen eerder uitgemaakt. Voor de zomer was hij geslaagd voor de MAVO en in september zou hij naar 4 HAVO gaan. Twee jaar eerder had hij zich gemeld als vrijwilliger bij de beginnende lokale omroep. Daar hadden ze niet helemaal in de gaten dat hij nog zó jong was en bovendien waren alle handjes welkom. Aanvankelijk mocht hij alleen berichtjes schrijven voor de kabelkrant, maar niet veel later maakte hij promotie tot nieuwslezer tijdens de zondagse radio-uitzendingen. Het was hem echter te doen om de video-apparatuur ter waarde van 100.000 gulden, die net met subsidie van de gemeente was aangeschaft. De magere jongen in dat rode T-shirt, met dat ‘hippe’ witte sportbroekje en die te hoog opgetrokken witte sokken in Kangaroos-gympies, had slechts één droom: Hij wilde bij de televisie. 

Hoewel de vader van die jongen nog tegen hem zei dat filmen een leuke hobby was, maar dat hij toch beter een echt beroep kon uitzoeken, stond onze hoofdpersoon met zijn neus vooraan toen de dozen met splinternieuwe camera’s, loodzware videorecorders, monitoren, een simpele beeldmenger en wat randapparatuur werden uitgepakt. Hij wilde er alles van weten. Al zijn vrije tijd stak hij in de lokale omroep. Het enige studieboek dat hem wel interesseerde was het Basisboek Televisiemaken.

Een paar wat oudere jongens, die bij de ziekenomroep waren begonnen, sloten de boel aan en gaven op maandagavond videocursus. Op een van die avonden kwam Ivo Palmen langs. Een gewone Geleense jongen, die in die dagen net bij de NOS in Hilversum was begonnen als cameraman. Dàt was het grote voorbeeld. En Ivo bleek ook nog eens een superaardige en zeer behulpzame vent te zijn. Hij gaf de piepjonge vrijwilliger de eerste inzichten mee over kadrering, inzoomen en schepstellen. Hij liet de knul inzoomen op een deurstijl en vervolgens de scherpte verleggen naar de kalender die verderop aan de muur hing. Hoewel het allemaal heel simpel en basaal was ging er een hele wereld open. Vanaf dat moment wist hij zeker dat hij ook cameraman wilde worden. Hij wilde net als Ivo naar Amsterdam, Aalsmeer en Hilversum.

Avonden, dagen, weken, maandenlang heeft hij in de studio van Lokale Omroep START gespeeld met camera’s en de montageset. Natuurlijk werden er langzaam maar zeker steeds vaker serieuze programma’s gemaakt, maar tussen de bedrijven door werd er ook van alles uitgeprobeerd en nagedaan. Als bij de Soundmixshow van Henny Huisman een cameraman zijn camera tijdens een loopje 180 graden om zijn as kon laten draaien, dan werd dat de weken daarna in de kelder van de Hanenhof tot in den treure geoefend. Net zolang tot het tijdens een carnavalsoptocht in de praktijk gebracht kon worden. De lokale omroep was een grote speeltuin. Ondertussen maakte de algemene ontwikkeling van de jongen in het rode T-shirt grote sprongen vooruit door de onderwerpen die hij ging filmen en monteren, maar vooral ook dankzij de meer volwassen mensen waarmee hij samen moest werken. In Geleen kenden veel mensen de jongen met de camera. Zelfs de burgemeester reageerde altijd een beetje nerveus als hij in beeld moest en zei dan standaard: ‘Dag meneer Hettinga, zit mijn haar goed?’ 

 

Met veel plezier kijk ik naar die foto van mezelf in dat rode shirt. Een quartz horloge om mijn pols en die zonnebril zo cooltjes mogelijk om mijn nek. Het is mooi om te zien hoe geconcentreerd ik daar ben. Een kist om op te staan en een zelf gefabriceerde zonnekap aan de viewer. Van Gaffa tape had ik nog nooit gehoord. Het was ook in de tijd dat ik nog niet liep te klagen als ik met zo’n statief moest werken. 

Het is inmiddels 37 jaar geleden. Tot op de dag van vandaag vind ik camerawerk net zo stoer en leuk om te doen als die zondagmiddag in 1988. Het gaat nooit, maar dan ook nooit vervelen.





dinsdag 27 augustus 2024

F1

 

Het moet begin september van het jaar 2000 zijn geweest dat mijn goede vriend Frank Verzantvoort belde met het verzoek of ik twee weken later met hem mee wilde naar de eerste USA Grandprix Formule1 op het circuit van Indianapolis. De vaste cameraman waarmee RTL Grandprix op dat moment werkte was plotseling verhinderd en dus zocht de producer iemand die op korte termijn kon invallen. Het leek mij een prima trip en extra grappig om samen met mijn maatje op zakenreis te gaan. Olav Mol had ik wel eens gesproken, maar pitreporter Jack Plooij kende ik op dat moment nog niet. Het probleem was sowieso dat ik niets van autosport wist. Ja, ik kende Jos Verstappen en ik wist natuurlijk wie Michael Schumacher was, maar verder was ik op het gebied van F1 een complete nono. Het maakte blijkbaar op dat moment niet zoveel uit, als ik maar goed kon filmen en zin had in een week plezier maken. 

Zodra we op het circuit van Indianapolis aankwamen nam Olav mij bijna letterlijk aan de hand mee door de pitstraat. Hij toonde me de legendarische ‘brickyard’ en de paal waar de term ‘poleposition’ vandaan komt. Vervolgens kreeg ik een uitgebreide rondleiding lang alle teams en wees Olav met een laserpen geduldig allerlei details op de racewagens aan. Ik werd geïntroduceerd bij Jos Verstappen, die het wel leuk vond dat er een cameraman was met een Limburgs accent. Tot slot werd ik voorgesteld aan reporter Rick Winkelman en fotograaf Frits van Eldik van het blad RaceReport. Zij konden een oogje in het zeil houden op de momenten dat Olav commentaar zou geven en ik solo in de pits een boodschappenlijstje met shots moest afdraaien. Ik weet nog dat ik zo snugger was om bij Williams shots te maken van Ralf Schumacher, terwijl ik Jenson Button moest hebben en dat die namen ook heel groot boven de ingang van de garage stonden. En de totale paniek die ik had toen ik miste dat er tijdens een vrije training even vlammen uit de uitlaat van de auto van Jos kwamen. Het was gelukkig niets bijzonders en dus werd het me allemaal vergeven. Zo kreeg ik een unieke introductie in de wereld van Formule1. Van beide kanten beviel het zo goed dat we besloten om in het nieuwe seizoen vaker samen te werken. 

Uiteindelijk heb ik negenenveertig races gedaan als cameraman met Olav, Jack en ook een jaar met Allard Kalff in de rol van pitreporter. We vlogen van Australië naar Maleisië of Brazilië en van Japan naar Canada. Alle circuits die tussen 2000 en 2007 onderdeel vormden van het Formule1 seizoen heb ik eens of meerdere malen bezocht. Het was hard werken en we maakten lange dagen. Natuurlijk klinkt het goed dat je de hele wereld rondreist, maar eerlijk gezegd zie je niet veel meer dan je hotelkamer en een beperkt deel van het circuit, dus je moet er wel wat van maken. Dat is gelukt, want we hadden ongelofelijk veel pret met elkaar. We hebben samen veel mooie avonturen beleefd. Genoeg verhalen voor een boek. Wie weet? Maar na een jaartje of zes werd ik vader en begon het F1 circus op werk te lijken. Toen hebben een paar collega’s hun kans gegrepen en die doen dit werk tot op de dag van vandaag nog steeds met veel plezier voor de Nederlandse rechtenhouder. 

Zelf ben ik de sport van een afstandje blijven volgen en ik vond het dan ook mooi dat Max Verstappen zijn kans greep en -Yohoo Yohee!- als eerste Nederlander een race won. Ik heb hem ooit op het circuit van Magny Cours in beeld gevangen, toen hij slechts drie jaar oud was. Later heb ik hem wel eens thuis zien gamen, omdat wij een filmpje kwamen maken over de fitnessruimte van zijn vader. En toen hij een jaar of negen was vertelde Jos liever hele verhalen over de kart carrière van zijn zoon dan over zijn eigen prestaties bij de A1 Grandprix. Ik heb in die periode met Rick Winkelman gesproken over het maken van een documentaire over de kleine Verstappen, maar dat is er nooit van gekomen. Je zal begrijpen dat ik daar heel, heel, héél veel spijt van heb. 

Als televisiemaker keek ik ondertussen niet alleen naar de sportieve kant, maar ook met grote interesse naar het camerawerk bij de live-uitzendingen. Het is interessant voor een televisiedier als ik om te zien hoe de Formule1 altijd alles uit de kast trekt om de wedstrijden zo spannend mogelijk in beeld te brengen. Formula One Management verzorgt zelf technisch en inhoudelijk de registratie van de races en daarmee zijn zij een groot voorbeeld voor heel veel andere sporten. De mensen achter de schermen bij Formule1 zijn al jarenlang zeer innovatief. Veel ontwikkelingen op televisiegebied zijn daar uitgeprobeerd of verbeterd. Denk aan onboard-camera’s, helmcamera’s, graphics, het weergeven van de teamradio’s en virtuele reclame. De laatste jaren komt daar ‘remote productie’ bij, want meer dan de helft van de crew die de programma’s maakt zit niet meer op het circuit, maar werkt op het vliegveld van het Engelse dorp Biggin Hill, waar in een oude hangaar controleruimten zijn ingericht die het hoofdkantoor van de NASA doen verbleken. 

 

Het is dan ook tof dat ik, sinds de Formule1 terug is op Zandvoort, in opdracht van deze organisatie een camera mag bemannen voor het miljoenenpubliek dat wereldwijd naar F1 kijkt. Zo krijg ik een uniek inkijkje in de werkwijze bij deze megaproductie. De afgelopen week was ik er voor de vierde keer bij op Zandvoort en het was mijn vijfde Grandprix in dit voornamelijk uit Engelsen bestaande team. 

Het is best spannend om op zo’n rijdende trein te springen, want de meeste cameracollega’s in deze crew filmen niks anders dan autosport. Zij doen allemaal bijna alle races in het seizoen en de meeste cameramannen doen dit al jarenlang. Ik sprak een collega die al sinds 1998 betrokken is en die niet veel races heeft gemist. Het is voor hen een ‘way of life’. Zij weten precies welke coureur hard gaat en hoe je een razendsnelle ‘whippan’ met je camera kan maken als de bolides met bijna 300 kilometer per uur voorbij flitsen. 

Ik moet toch iedere keer weer even het wiel voor mezelf uitvogelen. Hoe sta je het lekkerst om zoveel mogelijk auto’s te kunnen volgen? Waar positioneer je de viewer, welke stap moet je maken en op welk moment beweeg je mee? Wat is het moment van uitzoomen, weer inzoomen en hoe snel moet je dat doen? Alle communicatie is in het Engels, dus je moet wel even snappen wat ze bedoelen met allerlei heel specifieke kreten en je moet je goed concentreren op welke rijders ze in de uitzending volgen of gaan volgen. Je hoort twee druk pratende regisseurs door elkaar. Eentje schakelt alleen de camera’s langs de baan en de tweede mixt dat signaal in Engeland met alle onboards, het helikoptershot, de draadloze camera’s in de pitstraat, herhalingen en de graphics. Dat wil ook zeggen dat niet elke keer, als het rode lampje in mijn zoeker gaat branden, mijn shot de uitzending haalt. Het meeste doe je voor niets, in de hoop dat een rijder een foutje maakt en je een mooie ‘replay’ krijgt. Maar de concurrentie is groot. Elke bocht wordt vanuit meerdere hoeken in beeld gebracht, elke auto heeft meerdere camera’s aan boord en in de lucht hangt een helikopter met een cameraman die alles op zeer spectaculaire wijze volgt. Het gaat allemaal razendsnel. De lat ligt hoog. Daar doe ik zelf graag aan mee, want ik wil natuurlijk dat die Engelsen tevreden zijn over mijn werk en mij het volgend jaar weer inhuren. 

Dit jaar is het volgens mij aardig gelukt. Ik stond op een nieuwe positie. Camera 19, waar ze het stadion inreden, bij de S-Bocht. Daar was het filmen iets gecompliceerder dan op de plek waar ze mij de afgelopen drie jaar op hadden ingedeeld. De racewagens kwamen nu op slechts een paar meter voorbij en dus moest ik veel harder meezwiepen met mijn telelens. 

Het is grappig dat wanneer je de uitzending later terugkijkt, je pas goed ziet hoe snel er geschakeld wordt, hoe kort je shot staat en hoe vaak jouw camera ook wordt overgeslagen. Ik denk als ik in het hele weekend effectief een paar minuten gebruikt ben, dat ik in mijn handen mag wrijven. Misschien is het daarom extra zuur dat uitgerekend dat ene shot in de laatste ronde net niet 100% was, omdat ik een milliseconde te laat reageerde met inzoomen en net iets wijder eindigde dan me (achteraf) lief is. Al weet ik ook vrij zeker dat ik de enige ben die het gezien heeft en dat het de andere 80 miljoen kijkers niet is opgevallen.

Het waren vier intensieve en lange dagen in Zandvoort. Het was een nat, winderig, zwaar en cameratechnisch best een spannend weekend, maar ik kijk er weer met heel veel plezier op terug. 




vrijdag 31 mei 2024

Te Land, Ter Zee en in de Lucht

 

Eind jaren zeventig hadden wij thuis een Philips kleurentelevisie. Het was een loodzware houten kast met een dikke beeldbuis die meer groen dan rood en blauw produceerde. Het toestel had altijd even nodig om op te starten en natuurlijk nog geen afstandsbediening. Als je naar een andere zender wilde kijken dan moest je opstaan van de groene bank en kon je een van de zes voorkeursknoppen indrukken. Klak. Wij konden Nederland 1 en 2, de Belg en een of twee Duitse zenders ontvangen met onze antenne die op het dak stond. 

Als ik na het eten in bad was geweest mocht ik voor het slapen gaan nog even televisiekijken. Haartjes nat en mijn bruine badstoffen pyjama aan. Pantoffeltjes, een door mijn moeder zelf gemaakt badjasje en met mijn knuffelhondje op schoot. Zeven of acht jaar oud was ik. Een grote pleister op mijn voorhoofd, omdat ik tijdens het spelen bij het achterbuurmeisje van een hekje was gevallen. 

Het leuke was dat al mijn vriendjes naar hetzelfde programma keken. Er was geen keuze en dus had iedereen het de volgende dag op school over hetzelfde. Voor mijn gevoel was dat heel vaak Te Land, Ter Zee en in de Lucht van de TROS. Tobbedansen! Maar het mooist vond ik Achteruitrijden met de Dafjes. Ook de Caravanrace was hilarisch. Zeker met het legendarische commentaar van André van Duin die dan riep: ‘Me gras! Me gras!’ Dat speelden we de volgende dag ook na met onze skelters.

Te Land, Ter Zee en in de Lucht is waarschijnlijk het oudste amusementsprogramma van onze nationale televisie. Het is typisch Nederlands. Ik denk dat er maar weinig landgenoten zijn die het niet kennen. Daarom is het zo grappig dat RTL heeft besloten om dit format weer nieuw leven in te blazen met vier splinternieuwe afleveringen, die aan het eind van de zomer worden uitgezonden. Deze week worden ze opgenomen in de Efteling. Op naar de Top, Tobbedansen, Snel naar de bel en As over de plas. De eerste drie opnamedagen zitten er helaas alweer op. Ik had het geluk om met een joekel van een telelens bovenop alle actie te mogen staan en wat heb ik hard gelachen.

Het is natuurlijk allemaal leedvermaak, maar wel in de meest onschuldige zin van het woord. Mensen geven zichzelf hiervoor op. Niemand heeft ze gedwongen, ze weten dondersgoed waar ze aan beginnen en over het algemeen levert het hooguit een blauwe plek, een lichte kneuzing of een kleine schaafwond op. Over de veiligheid is door de producent zeer goed nagedacht en overal staan professionele hulptroepen paraat. Ondertussen is en blijft het extreem grappig om mensen van een helling te zien gaan, die dan met een eigen gefabriceerd voertuig het water raken en over de kop slaan, ver voor het doel is bereikt. Maanden hebben ze gewerkt aan dat voertuig en na drie tellen zakken ze door de bodem of is er helemaal niets meer van over. Hoe knulliger, hoe beter. De angst in hun ogen, vlak voor ze gaan en hun verschrikte blikken op het moment dat ze de controle totaal verliezen.

Niets menselijks is mij vreemd en dus heb ik drie dagen lang met heel veel pret achter mijn camera gestaan. Het helpt ook nog als je met een gigantische telelens kan inzoomen op alle paniek. Het is alsof de hele actie, die vaak slechts een paar seconden duurt, in slow-motion plaats vindt wanneer je door de viewer van een camera kijkt. 

Het was sowieso een vrolijkmakende productie. De lieve mensen van EndemolShine en The Crew hadden hun zaken zeer goed voor elkaar. Met acht camera’s en een paar losse ploegen achter de schermen hebben we het vastgelegd. Alles liep op rolletjes, er werd goed voor ons gezorgd en het waren zeer overzichtelijke draaidagen die sneller gingen dan gepland. Dat is ook wel eens lekker. Bovendien werkte het weer mee, want tijdens de opnamen bleef het droog en ben ik zelfs een beetje verbrand aan een kant. Had ik ook maar meer van de door productie geleverde Te Land Ter Zee en in de Lucht-zonnebrandcrème moeten gebruiken.

Vanaf 31 augustus zullen weer hele gezinnen, gierend van het lachen, voor de buis zitten. Dat kan haast niet anders. Ik verwacht dat het na de montage alleen nog maar leuker wordt. Dat het vanaf nu te zien is bij RTL, is volgens mij een goede zaak. Wat mij betreft mogen de commerciële omroepen wel meer formats van de NPO overnemen, mits ze het zo serieus aanpakken. Ik zie het al helemaal voor me dat een nieuwe generatie jongens en meisjes de volgende dag met hun skelters en poppenwagentjes Te Landje en Ter Zeetje zal gaan spelen. Wie weet is dit programma over 45 jaar nog steeds pure nostalgie. In elk geval hoop ik dat we het volgend jaar een nieuw seizoen mogen maken en ik vrees dat ik tot die tijd niet vaak meer zo, met de tranen over mijn wangen van het lachen, achter mijn camera sta.





zaterdag 3 februari 2024

stick

 

Het is zaterdagochtend en ik rommel wat in ons schuurtje. Ergens tussen zaagresten van de houten vloer, stukken elektrabuis, oude bezemstelen en bamboestokken moet mijn ijshockeystick staan. Niet dat ik zelf ooit deze sport beoefend heb, maar ik heb er in 1993 eentje gekregen voor bewezen diensten bij de Geleense ijshockeyclub Meetpoint Eaters. Ik kan me niet voorstellen dat ik die stick ooit heb weggedaan, dus hij moet hier ergens zijn.

Begin jaren negentig woonde ik nog in Geleen, waar we in de winter op zondagavond naar de ijshal trokken, om te kijken naar de verrichtingen van de Smoke Eaters. Regelmatig gingen we ook mee naar uitwedstrijden van onze ijshockeyclub in Nijmegen, Tilburg of Rotterdam. Ik meen me zelfs te herinneren dat we een keer helemaal naar Heerenveen zijn gereden om onze club aan te moedigen. Als de Eaters gewonnen hadden, dan vierden we dat na afloop in Café De Kroon. Daar kwamen niet alleen trouwe supporters, maar ook de spelers. 

Ik was in die dagen al druk met het maken van filmpjes en de barman had mij gevraagd of ik een videoclip kon produceren, die ze op ijshockeyavonden in het café wilden vertonen op een groot videoscherm. Dat heb ik gedaan. Op het nummer ‘Tribal Dance’ van 2Unlimited heb ik snelle beelden gemonteerd die ik tijdens een wedstrijd had opgenomen. Dat filmpje werd een regelrechte hit. Een paar keer per avond werd het opgezet en als dat gebeurde, dan dansten de spelers met de mooiste meisjes van Geleen op de tafels. Aan het eind van het seizoen kreeg ik als bedankje een gesigneerde stick. Alle spelers van seizoen ‘92/’93 hadden er hun handtekening op gezet.

In een stoffig hoekje van ons schuurtje vind ik wat ik zoek. Achter de regenpijp en hij zit vol spinnenraggen. De stick zit klem tussen een uitgezette plank van het schap waar mijn gereedschapskist op staat en de vochtige schuurmuur. Dit is niet bepaald een plek om zo’n uniek cadeau te bewaren, maar zo gaat dat blijkbaar. Deze stick is ruim dertig jaar oud. De eerste tien jaar heeft hij nog op een mooi plekje in mijn Amsterdamse flat gehangen, maar inmiddels woon ik alweer bijna 20 jaar in Utrecht. Hier is hij in het schuurtje beland en eerlijkheid gebied mij te zeggen dat ik er nooit meer naar heb omgekeken. Tot vandaag. Na wat duwen en wrikken schiet de stick uiteindelijk los.

In 1993 wonnen de Meetpoint Eaters voor het eerst in de clubgeschiedenis de Nationale Beker. Ik was bij de legendarische finale in Eindhoven, waar de Gunco Panda’s uit Rotterdam werden verslagen met 4-2. Vijftien bussen met uitzinnige Limburgse supporters gingen helemaal uit hun dak. Die wedstrijd was volgens mij op woensdag 6 januari 1993 en de zaterdag daarna werd het team gehuldigd op het bordes van het gemeentehuis van Geleen. Daar heb ik nog een zwartwit fotorolletje volgeschoten met kiekjes van de uit Canada afkomstige sterspeler Chris Brant, die de cup boven zijn hoofd houdt.

De handtekening van Chris Brant staat op de zwarte tape aan de bovenkant van de stick. Zeg maar het handvat. Je moet het even weten. Andere namen zijn beter te lezen. Tommie Hartogs, Jamie van der Horst, Mike Pellegrims, Risto Mollen, Rickey Boh en Jo Charbonneau. Ik zie ze allemaal weer spelen. Het was een geweldig team en het is eeuwig zonde dat zij dat jaar niet ook kampioen zijn geworden. Ze waren er niet ver vanaf, maar de zeer beladen playoffs tegen Nijmegen zorgden voor zoveel ellende en gedoe dat het geen sportieve strijd meer was. Ik herinner me nog een bommelding, waardoor het hele ijsstadion ontruimd moest worden. De bezwete spelers van Geleen stonden buiten in de kou, terwijl het team van Nijmegen lekker in een verwarmde bus wachtte tot het spel weer verder ging. Het leek alsof zij op die bommelding voorbereid waren.

Ik sta zo een tijdje in ons schuurtje naar die stick te kijken en de ene na de nadere jeugdherinnering komt bovendrijven. Ik zet hem weer op zijn plek en ga binnen met een kop koffie een beetje Googlen naar de Meetpoint Eaters. Al snel vind ik op YouTube het filmpje dat ik gemaakt heb. Iemand heeft dat online gezet. Het zijn de eerste drie minuten van een hele berg historische opnamen. Het is grappig om dit oude werkje na al die jaren nog eens te bekijken. Gefilmd in 4:3 en ik had zelfs een heel speciaal video-effect gebruikt om er een echte hippe clip van te maken. 

Je zal wel denken waarom ik uitgerekend vandaag op zoek was naar die stick. Nou, dat is simpel. Morgen is er weer een bekerfinale. De Eaters spelen in Den Haag tegen HIJS. Ze kunnen voor de derde keer in hun historie de beker winnen. Als ze dat voorelkaar krijgen, dan is het voor mij de tweede keer dat ik erbij ben. Ik mag morgen als een van de vijf cameramannen voor de NOS deze ijshockeywedstrijd in beeld brengen. Daar verheug ik me al de hele week op.







dinsdag 9 januari 2024

Peter van Straaten zelfportret

 

Met AT5 verslaggever Joost van Krieken maakte ik een korte reportage over de Amsterdamse schrijver en tekenaar Peter van Straaten. Het moet in maart 1995 geweest zijn. Van Straaten werd zestig. Ik kende hem vooral van zijn reeks grappige tekeningen in de krant, onder de noemer ‘Het dagelijks leven’ en het feuilleton ‘Agnes’. Het waren meestal slordig geschetste situaties met een simpel onderschrift, waarmee hij het leven op briljante wijze wist te typeren. Zijn werk toverde altijd een glimlach op mijn gezicht. En nog steeds. Hij heeft er duizenden gemaakt en veel van die cartoons zijn tijdloos. Ze zijn allemaal raak. Mijn moeder vond zijn werk ook geweldig.

Ik vond het bijzonder om Van Straaten te ontmoeten en kan het me nog goed herinneren. Het was een buitengewoon vriendelijke man, die ons gastvrij ontving. We mochten in zijn werkkamer filmen hoe hij met kroontjespen en inkt zijn tekeningen maakte. De verslaggever vroeg of de tekenaar zichzelf wilde schetsen, maar dan zoals hij dacht dat hij er zelf over vijftien jaar uit zou zien. Dat wilde Van Straaten wel even voor ons proberen. Hij maakte in razend tempo een prachtig zelfportret van een oude man met een stok. Op vragen van de verslaggever antwoordde hij dat hij al een buikje had, maar niet kaal zou worden, omdat dit niet in de familie zat. Met een laatste pennestreek signeerde hij de tekening. Over zijn schouder keek ik met mijn camera mee. 

Toen we klaar waren met filmen vroeg ik wat Van Straaten met dit zelfportret ging doen. Hij keek verbaasd naar me en zei iets van ‘weggooien’. Ik vroeg of ik deze tekening misschien aan mijn moeder mocht geven en dat vond hij een goed plan. De tekening werd netjes uitgesneden en in een grote envelop gestopt. Als een kind zo blij bedankte ik de cartoonist toen we inpakten en weer verder gingen. 

Die avond was bij de Amsterdamse zender te zien hoe de tekening, die ik later aan mijn moeder zou geven, werd gemaakt. Een kort fragment kan je online nog steeds terugvinden in de reportage die AT5 gemaakt heeft bij het overlijden van Peter van Straaten, in december 2016 op 81-jarige leeftijd.

Mijn moeder was super blij met de tekening. Ze heeft hem ingelijst met een mooi passepartout en hij heeft al die jaren op een mooi plekje in mijn ouderlijk huis gehangen. Nu is mijn moeder drie jaar geleden overleden en mijn vader probeert heel voorzichtig wat spulletjes op te ruimen. Zo kreeg ik deze week de tekening terug die ik bijna dertig jaar geleden aan mijn moeder gaf. Hij is me dierbaar, maar ik weet ook niet zo goed wat ik er mee moet. Thuis ophangen is geen optie, dus voor je het weet verdwijnt hij in een doos op zolder. Vandaar dat ik me afvraag of er wellicht iemand is die ik er blij mee kan maken?




zaterdag 26 november 2022

De Wereld van Boudewijn Büch

 

De afgelopen week was het twintig jaar geleden dat Boudewijn Büch op 54-jarige leeftijd is overleden. De bekende, enthousiaste en niet onomstreden mediapersoonlijkheid stierf in zijn slaap op 23 november 2002, aan een hartstilstand. Als schrijver was hij vooral bekend van het boek De kleine blonde dood uit 1985, waarvan sindsdien meer dan dertig drukken zijn verschenen. Hele volksstammen hebben dit boek gelezen voor hun literatuurlijst. Als televisiepresentator maakte hij het reisprogramma De Wereld van Boudewijn Büch, waarin hij zijn interesses voor eilanden, de dodo, Mick Jagger, Andy Warhol en bovenal Goethe aan bod kon laten komen. Zijn fascinatie voor historie en cultuur was aanstekelijk. 

In 1998 mocht ik met Boudewijn Büch mee op reis als camera operator. Het is nog steeds een van de meest memorabele producties waar ik aan mee heb mogen werken. Met veel plezier kijk ik terug op deze periode, waarin ik in korte tijd ontzettend veel geleerd heb. Over cultuur, verzamelen, reizen en de wereld, maar ook over mijn vak en televisiemaken in het algemeen. 

Maar Boudewijn was geen makkelijke tante. Ook daarover heb ik op dit weblog meerdere verhalen geschreven. Op zijn sterfdag zat ik die stukken een beetje terug te lezen toen ik ook mijn blog van 9 januari 2014 tegenkwam. Het gaat over het einde van onze samenwerking. Ik vond het wel een toepasselijk verhaal nu we het al een week hebben over omgangsvormen in Omroepland. Vandaar dat ik het hier nog eens plaats:

 

 

 

'... en dat is het laatste filmwerk van deze lange zomer, die aangenaam was - zeker door Panda maar ook door Peter en Jan Rein - maar wel iets te vermoeiend en te lang. Ik heb veel aan depressies geleden.'

[Boudewijn Büch - Een boekenkast op reis. Privé-domein. Persoonlijke kroniek 1998. Pagina 256, 26 september]

 

Aan het eind van een jaar reizen met Boudewijn Büch kreeg ik totaal onverwacht te horen dat de schrijver/programmamaker niet langer met mij wilde werken. Dat vond ik heel erg. We hadden samen vier lange reizen gemaakt, een bedrijfsfilm voor de VNG en een commercial voor Lassie Toverrijst gedraaid. Alles bij elkaar ongeveer 100 dagen in zes maanden en toen was ik opeens niet meer goed genoeg. Zelf wilde Boudewijn dat niet tegen mij zeggen. Hij liet het over aan de accountmanager van het facilitair bedrijf en aan zijn vaste producer Erica, die mij bovendien verbood om hierover contact met Boudewijn op te nemen. 

Het verhaal was dat ik slecht gedraaid had en daar kwamen ze kennelijk pas achter in de montage. Wat er precies mis was met mijn beelden konden ze me niet uitleggen. Van alles. Ik mocht hierover ook niet spreken met de vaste editor van De Wereld van Boudewijn Büch, want ze dachten dat dit de montage niet ten goede zou komen. 

Ik was hevig teleurgesteld en werd hier heel onzeker van. Temeer omdat andere mensen bij de VARA opeens ook openlijk twijfelden aan mijn kwaliteiten. Na enig aandringen kwam er een bandje met daarop tien voorbeelden van missers. Het werd besproken met de accountmanager, die het vervolgens aan mij mocht uitleggen. Het waren tien fragmenten die ik vrijwel direct kon weerleggen of waarvan ik zeker wist dat er ook nog een andere take was. 

Een van de voorbeelden was een scene voor een gebouw. Boudewijn legde uit dat Goethe achter een raam op de eerste verdieping had gesproken met een goede vriend. De camera ging omhoog, maar met een boogje naar dat raam. Dat was kennelijk niet goed; ik een knoeier. Maar recht boven de verteller had de microfoonhengel gehangen en daar had ik keurig omheen gedraaid. Boudewijn wilde nooit iets over doen, vanwege de spontaniteit. 

Na het zien van deze voorbeelden was ik enigszins gerust gesteld. Ik had immers zelf elke avond op mijn hotelkamer álle opnamen teruggekeken. Nu wist ik dat ik niet gek was. Als dit de ergste voorbeelden waren die ze konden tonen, dan viel het best mee. Wat heel erg stak was het feit dat de accountmanager inmiddels een fikse korting had gegeven. Daarmee had het NOB min of meer toegegeven dat ik een wanprestatie had geleverd, terwijl ik het daar niet mee eens was. 

Er moest iets anders aan de hand zijn. 

En er was natuurlijk ook meer aan de hand. Ik was tijdens onze laatste trip verliefd geworden op het meisje van productie waar Boudewijn ook verliefd op was. Dat had ik verzwegen, maar ik had het misschien niet goed genoeg verborgen gehouden. Ook had ik langzaam in de gaten gekregen dat Boudewijn lang niet altijd het eerlijke verhaal vertelde. Zo wist ik dat hij nooit het kind had gehad, waar hij wel met tranen in zijn ogen over sprak. Maar wat bijvoorbeeld ook op begon te vallen was dat hij erbarmelijk slecht Duits sprak, terwijl hij beweerde in Duitsland Duits gestudeerd te hebben. Een kop koffie bestellen was al een probleem. 

Hij wilde van mij af, dat was duidelijk. Maar ik wist niet precies waarom. Dat vrat aan me. Het irriteerde vooral dat ik me niet kon verweren. 

Waren we misschien uitgeluld? Hij had mij onderweg uitgehoord en kende inmiddels al mijn verhalen. En hij had tijdens het filmen van de Lassie Toverrijst commercial Roel Deen leren kennen. Deze ervaren cameraman had ik erbij gehaald, omdat ik zelf weinig ervaring had met de wilde reclamewereld. De volgende reis ging Boudewijn met Roel op pad.

Als hij even kort met mij had gesproken en eerlijk was geweest dan was het voor mij nooit zo'n groot ding geworden. Nu ik was aangevallen op mijn kwaliteiten als cameraman deed het pijn. Ik was pas een paar jaar bezig, nog niet super ervaren en al helemaal niet zeker van mijn zaak. Van deze vreemde afwijzing heb ik lang last gehad.

Boudewijn heb ik nog twee keer gezien. Een keer rende hij mij voorbij in de kantine van het NOB en de keer daarna waren we op de begrafenis van collega Roel Deen. Dat was niet bepaald een moment om elkaar te spreken. Bovendien keek Boudewijn liever naar de grond dan dat hij mij aan moest kijken.

Een paar jaar later was hij dood.

Op de avond waarop ik hoorde dat Boudewijn was overleden heb ik me voorgenomen dat ik voortaan direct contact opneem met de persoon in kwestie, wanneer ik hoor dat iemand niet tevreden is over mijn werk. Of diegene dat nou prettig vindt of niet. 

Je moet elkaar altijd recht in de ogen blijven kijken, open staan voor kritiek, maar ook iemand waarmee je werkt kunnen uitleggen wat je niet bevalt. Dat is een wezenlijk onderdeel van ons vak. Misschien wel van het leven. Wie daar niet mee kan of wil dealen heeft pech gehad. 

Boudewijn was er in elk geval niet goed in. De lul. Als er toch een hemel is kom ik daar zeker nog een keer op terug.

 

'Met Panda en Ulrike ben ik aan de montage begonnen van veertien Goethe-programma's waarvan ik er overigens nog twee moet opnemen. Over het camerawerk ben ik niet zo tevreden, maar gelukkig is er een overvloed aan materiaal.'

[Boudewijn Büch - Een boekenkast op reis. Privé-domein. Persoonlijke kroniek 1998. Pagina 269, 8 december]

 

Columnist Anne Boermans in het Financieel Dagblad van zaterdag 29 mei 1999 over De Wereld van Boudewijn Büch:

 

'De cameraman, Jan Rein Hettinga, levert daarbij een topprestatie. Hij volgt Büch voortreffe­lijk. Hij heeft een camera op zijn schouder die toch al gauw zo'n dertig kilo weegt. Om z'n middel zit een zware riem met accu's voor de stroomvoorziening. Die weegt eveneens vele kilo's. Terwijl hij half naast Büch een trap op moet, ziet hij door zijn camera alleen het hoofd van de presentator, niet de treden. Hij moet dus èn Büch scherp in beeld houden, al dat ge­wicht torsen, èn op gevoel de houten trap oplopen, waarbij hij bovendien geluidloos probeert te zijn, terwijl alles kraakt en steunt onder het geklos van de - forse - presentator.

Cameraman Hettinga slaagt er op deze manier in een compleet interieur op drie verdiepingen te laten beschrijven, in èèn ongemonteerde opname ('one track') van maar liefst vier minuten en vijftien seconden. Dat is vakwerk.

.....

Büch en Hettinga gebruiken een aantal prachtige technieken om het product voor de kijker aantrekkelijk te maken.

.....

Het is èèn van de mooiste series die momenteel op televisie te zien is.'